CDA wil nieuwe norm barmhartigheid; "Verdwijnen norm 1,5 procent niet ten koste van arme landen'

DEN HAAG, 20 NOV. De begrafenis van de 1,5 procentnorm voor ontwikkelingshulp gaat in het CDA gepaard met gepaste rituelen. De norm waarover jarenlang een consensus bestond in de Nederlandse politiek, moest wijken voor de druk van de bezuinigingen die ook het departement van ontwikkelingssamenwerking treffen.

Minister Pronk moet meebetalen aan defensie, onderwijs, gezondheidszorg en asielzoekers: het budget wordt “vervuild”. De minister die het boegbeeld is geworden van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid sprak van een "trendbreuk'. De CDA-jongeren vallen hem bij. Ze vinden dat het CDA op zijn partijraad van volgende week zaterdag vast moet houden aan de 1,5 procent. “We zijn tegen die vervuiling maar we moeten wel de norm vasthouden, anders is het met de ontwikkelingssamenwerking voorbij”, vindt CDJA-voorzitter J. de Vries. En CDA-voorzitter Van Velzen zei gisteren deze kabinetsperiode de 1,5 procent voor internationale hulpverlening nog wel te willen aanhouden. Maar voor het nieuwe verkiezingsprogram moet er een andere norm komen.

Het was de CDA-fractie die deze week besloot de 1,5 procent in 1994 te laten vallen. “De 1,5 procentsnorm was een dogma geworden waaraan de PvdA en het CDA het meest waren gehecht”, zegt H. Aarts (CDA), de voorzitter van de vaste Kamercommissie voor buitenlandse zaken, kort na afloop van het debat in zijn werkkamer. Aarts was de afgelopen weken in de CDA-fractie de architect van de plannen om de begroting voor ontwikkelingshulp op een nieuwe manier te gefinancierd. Hij kreeg rugdekking van Brinkman, de CDA-fractieleider, en de steun van zijn fractiegenoten onder de voorwaarde dat de “armste landen niet minder krijgen”. Aarts moet de achterban van het CDA op de partijraad in Arnhem uitleggen waarom het CDA de 1,5 procentnorm in de volgende kabinetsperiode wil loslaten.

“De publieke opinie had de indruk dat 1,5 procent van het nationaal inkomen symbool stond voor de voorrang die we gaven aan hulp voor arme landen. Maar ik heb als parlementariër gezien hoe de 1,5 procent werd uitgehold door uitgaven die niet veel met de armoede te maken hebben. Ik heb dus de plicht te zeggen: dit is niet de waarheid”. Aarts wijst erop dat het niet de bedoeling is van het CDA op ontwikkelingssamenwerking te korten. “Als ik voor bezuinigen was geweest, had ik niets moeten zeggen. Dan ging deze vervuiling gewoon door en werd Pronk gedwongen in het kabinet steeds meer aan andere departementen af te staan”.

De CDA-achterban wil echter een meetlat voor barmhartigheid, het CDA wil niet “normloos” door het leven gaan. Aarts pleit voor een ander meetpunt: niet het nationaal inkomen, maar zoals dat internationaal wordt gedaan: het bruto nationaal produkt (BNP). De Verenigde Naties adviseren de rijke landen 0,7 procent van hun BNP af te staan, een norm die door slechts enkele landen, waaronder Nederland, wordt gehaald. Nederland zit nu op circa 0,82 procent van het BNP, en de PvdA streeft in de volgende kabinetsperiode naar 1 procent. Aarts wil echter nog geen definitieve norm stellen. “Wij willen in 1993, het jaar van bezinning, kijken hoe we een norm kunnen vinden die te handhaven is. We moeten wel weer een norm hebben, een houvast, en niet zeggen: minister zoek het maar uit. Maar als we nu al percentages noemen, ben ik bang dat het weer dezelfde kant opgaat als met de 1,5 procent”.

Net als minister Kok (financiën) voelt Aarts ervoor om een internationale samenwerkingsnorm te stellen voor hulp aan de "klassieke' ontwikkelingslanden, voor arme landen in Oost-Europa, voor vredesoperaties, het milieu, humanitaire acties en asielzoekers. “Het moet daarbij voorop staan dat de armste landen niet minder krijgen en dat die begroting dan ook onaantastbaar is”.

De problemen voor Pronk begonnen al meteen in 1989, toen hij overeen kwam dat hij met zijn begroting, die jaarlijks automatisch steeg met de groei van het nationaal inkomen, zou meedoen aan de “generale compensatie”. Kok zou Pronk mogen aanspreken voor bezuinigingen: de begroting bleef niet meer zoals vroeger buiten schot. Die belofte leek aanvankelijk mee te vallen, want het ging in de tweede helft van de jaren tachtig goed. Maar toen economische groei stokte en het kabinet tóch wilde vasthouden aan de harde doelstellingen voor het financieringstekort en de collectieve lastendruk, vielen er voor Pronk klappen. “Met dat besluit heeft het kabinet zélf het hart van de begroting getroffen”, zegt Aarts.

Collega-ministers keken met een scheef oog naar de groeiende begroting voor een departement dat moeite heeft voor het eind van het jaar de gereserveerde gelden op te krijgen. Op 1 december 1991 had Pronk nog zo'n 1,5 miljard over (twintig procent van de begroting) en op 15 september van dit jaar bijna de helft. De bestedingsdruk wordt veroorzaakt doordat het lang duurt voordat het beleid dat op het ministerie wordt uitgestippeld in de Derde Wereldlanden worden omgezet in projecten, waaraan voortdurend meer criteria (vrouwen, milieu of goed bestuur) worden gesteld. Pronk betaalde mee aan vredestaken om de uitgaven nog zoveel mogelijk binnen het terrein van ontwikkelingshulp te houden. Maar soms lukte dat niet, zoals bij uitgaven voor salarissen in de zorgsector en het onderwijs. Pronk gaf gisteren toe de vervuiling te moeten tolereren “om erger te voorkomen”.

Aarts heeft de afgelopen dagen vooral afwijzende reacties gekregen van de organisaties die bij de ontwikkelingshulp betrokken zijn. “Het zijn vaak wel de organisaties die zelf geld uit de begroting krijgen en die van de hulp aan de Derde Wereld hun beroep hebben gemaakt. Sommigen doen dat met grote inzet, andere hebben grote personeelsbestanden en zijn erg argwanend”. Hij denkt de CDA-jeugd te kunnen overtuigen op de partijraad. “Als je een houdbare norm wilt, kun je niet vrijblijvend roepen: er moet even een miljard bij. Je moet kunnen zeggen waar dat geld vandaan moet komen, waar dan de offers gebracht moeten worden”, zegt hij. “De hulp aan de arme landen moet hoog op de agenda blijven maar zich niet meer afspelen achter de façade van de 1,5 procentsnorm”.