Bob Dylan is een vreemdeling op zijn eigen feestje

"Bob Dylan & friends live on stage', Ned.2. 23.28-2.28u.

Het moest de avond van Bob Dylan worden, maar het werd de avond van Sinéad O' Connor. De kaalgeschoren Ierse zangeres werd tijdens het jubileumconcert voor Bob Dylan op 16 oktober in Madison Square Garden door het jeugdige publiek onthaald op een haatdragend boegeroep, omdat ze kort tevoren op de nationale televisie een foto van de paus had verscheurd en de katholieke kerk aansprakelijk had gesteld voor het wereldleed. Snikkend moest ze het podium verlaten na een spontaan uitgeschreeuwde versie van Bob Marleys strijdlied "War'. Het incident overschaduwde de rest van het evenement - ten onrechte, want de desolate verschijning van het feestvarken zelf, later op de avond, was ten minste zo schokkend. Het 51-jarige muzikale genie - dat naar verluidt pas tien minuten voor zijn eigen optreden de zaal betrad - stond als een bleke schim op de planken: oud, breekbaar en introvert. Een schoongeschrobde zwerver op een door zijn familie georganiseerd verjaardagspartijtje. Hij raspte zich door "Song to Woody' en "It's Allright, Ma', en deed afwezig mee aan de rommelige grand finale met "My Back pages' en "Knockin' On Heavens Door'. Een groter contrast met de woede van de 25-jarige O'Connor, die zich ongevraagd heeft opgeworpen als martelaar namens de mensheid, was nauwelijks denkbaar. Nu is Dylan nooit een feestnummer geweest, zo is ter verdediging aangevoerd door hard core bewonderaars, en inderdaad: op de polonaise is hij nooit betrapt. En, aldus dezelfde apologeten, hij heeft altijd al schor gezongen. Ook dat is waar: al in de vroege jaren zestig schreef de Amerikaanse pers dat zijn stem klonk alsof hij “over de muren van een tbc-sanatorium waaide”. Maar toch. Wie zijn jeugd heeft gevormd op de klanken van meesterwerken als Blood on the Tracks en Desire, zal een gevoel van droefenis niet kunnen onderdrukken bij het horen - en zien - van de bard-op-leeftijd.

Tussen de psychodrama's van Sinéad en Bob door krijgt het publiek een Amerikaanse potpourri van artiesten voorgeschoteld, velen ook al wat ouder, die om beurten Dylan-vertolkingen ten beste geven. De meesten doen dat matig tot redelijk, sommigen zijn beschamend slecht (Kris Kristofferson, Sophie Hawkins), een handjevol maakt zijn reputatie meer dan waar (Lou Reed, Neil Young, Eric Clapton) en een enkeling is in zijn onhandigheid toch ontroerend (The Band, Tracy Chapman). Wat tijdens de live-registratie van het concert op betaal-televisie niet werd uitgezonden was het enige authentieke fraaie moment in Dylans eigen optreden: zijn eenzame toegift "Girl From the North Country', lieflijk gezongen alsof hij helemaal terug was in Hibbing, Minnesota, waar hij opgroeide. Dat dit niet wordt uitgezonden zal wel te maken hebben met contractbepalingen (het concert was een samenwerkingsverband van een Amerikaans bedrijf voor tv-concerten, een Japans mediaconcern, Dylans management, en zijn platenmaatschappij; de uitzending via betaal-televisie in de Verenigde Staten leverde al ruim 400 miljoen gulden op, daarbovenop komen nog de internationale radio- en televisierechten), maar het is ook een aanwijzing temeer dat Bob Dylan een vreemdeling was op dit bizarre feestje te zijner ere.