Alle vrees is als glas; De openbaringen in het verzameld werk van Frans Kellendonk

Angst en verlangen, dat zijn de twee polen waartussen het werk van Frans Kellendonk zich beweegt. Drie jaar na de dood van de schrijver die als academist begon en per boek radicaler werd, is zijn "complete werk' in één band verzameld. “Bij herlezing van alles wat Frans Kellendonk het waard achtte om opgenomen te worden, blijft "Mystiek lichaam' het boek dat alle andere overschaduwt. Maar de eerdere romans blijken schakels in een ketting.”

Frans Kellendonk: Het complete werk. Uitgeverij Meulenhoff, 940 blz. Prijs: ƒ 55,- of ƒ 75,- (geb).

Ongeveer een half jaar na de dood van Frans Kellendonk in februari 1990 sprak ik over hem in een programma op de radio. Er was een uur voor uitgetrokken en in de studio was nog iemand die Frans gekend had. We vertelden om beurten veelzeggende anekdotes en onderstreepten onze bewondering voor zijn talent. Het was te vroeg voor herdenkingen, begreep ik al snel. Frans bleek die middag zeer aanwezig en ik had het gevoel alsof er eigenlijk achter zijn rug werd gesproken. Mijn herinneringen klonken mezelf plotseling als roddel in de oren. Dat gevoel werd nog sterker door de fragmenten uit zijn verrassend openhartige radiointerview met Stan van Houcke uit 1988, die ter afwisseling door ons gesprek werden geweven; de stem van Frans, bedachtzaam en beslist tegelijk, vulde de studio tot aan het plafond. Mijn ongemak groeide. De situatie begon steeds meer op een verhaal van Frans Kellendonk te lijken: spraken we over hem zoals hij was, of zaten we hem maar een beetje te verzinnen?

Er was de gebruikelijke vioolmuziek die bij dit soort programma's hoort en toen werd er een band gedraaid waarop iemand voorlas uit Mystiek lichaam. Het was de passage waarin Broer vanuit New York aan zijn zuster Prul schrijft over het sterfbed van zijn "rijpere jongen', zijn gedoemde liefde: "Achter deze deur ligt een vervaagde herinnering aan mijn jongen. Hij heeft geen kracht meer in zijn vingers, de tover is uit zijn ogen, zijn kont is weg. Vroeger droeg hij het licht in een lus om zijn lichaam, van de schouder liep het schuin over de oksel (zijn doorboorde oksel), de zij, en dan ging het naar zijn lies toe. Dat schouderkoord van licht is weg, verzwolgen door zijn grauwe vel. Straks ga ik naar binnen en dan zegt hij "Waarom kom je toch steeds? Ik wil je niet meer zien.' We hebben elkaar niets te zeggen. We zijn moederziel alleen wanneer we bij elkaar zijn, een stel idioten.'

Dit was niet het Mystiek lichaam dat ik me herinnerde. Die roman uit 1986 lag in mijn geheugen als een inktzwart en wrang boek, een verbeten parabel vol ongemakkelijke "waarheden', onverbiddelijk intellectueel en intellectueel onverbiddelijk. Wat de stem voorlas was schrijnend, een wanhopig liedje van verlangen. Waar ik van schrok was de intimiteit van de passage, een levensgroot contrast met de indruk van afstandelijkheid die ik aan de eerste lezing van de roman vier jaar daarvoor had overgehouden. Aan de vele paradoxen die het werk van Frans kende, moest er blijkbaar nog een worden toegevoegd: een nogal onpersoonlijke schrijver die schokkend persoonlijk durfde te zijn, een ongenaakbare geest die er niet voor terugschrok zijn kwetsbaarste naaktheid te tonen.

Slopershamers

Hollandse schandalen duren nooit lang en worden zodra de bloeddorst is gelest snel vergeten, maar de publieke hetze die in 1986 tegen Mystiek lichaam en de schrijver is gevoerd, op grond van een onzinnige beschuldiging van antisemitisme, heeft ervoor gezorgd dat de roman eerst gerehabiliteerd moest worden alvorens de waardering een kans kreeg. Dat proces heeft zich snel voltrokken: Mystiek lichaam is zes jaar na verschijning inmiddels zo vaak een mijlpaal genoemd, dat het alweer bijna een monument is en dus als vanzelf critici met slopershamers aantrekt. De vragen die erin worden gesteld en die toen het boek uitkwam afgedaan werden als achterhaald of achterlijk of, nog erger, katholiek, beheersen allang weer het publieke debat; na jaren van overspannen individualisme, gaan de discussies van vandaag over de noodzaak èn onmogelijkheid van een gemeenschap van mensen, de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen worden eerder onderstreept dan weggemoffeld en Camille Paglia is niet de enige die een cultuurkritische spaak in het wiel van verlichtingsideologie van de naoorlogse bevrijdingsbewegingen heeft gestoken. Met andere woorden, Mystiek lichaam was zijn tijd een paar jaar vooruit, zoals een grensverleggend boek betaamt.

Zo'n roman verandert steeds weer van gedaante, voor de individuele lezer, maar ook voor wat ik gemakshalve maar de kritiek noem. Nu Mystiek lichaam is opgegaan in Het complete werk, dat Frans zelf vlak voor zijn dood zorgvuldig samenstelde in vier delen en dat nu in één goedverzorgde band is verschenen (de titel zal hij niet zelf bedacht hebben; Frans had een bloedhekel aan anglicismen, je mocht van hem niet eens "succesvol' zeggen) lijkt het tijd voor een nieuwe evaluatie, of liever, een ándere. Is een schrijver overleden en zijn werk verzameld, dan heeft hij zich voorgoed losgemaakt van zijn tijd en de kritiek van die tijd. Het werk is alleen op reis gegaan in een vreemd land en moet zelf maar zien hoever het komt.

Frans Kellendonk en de schrijvers van zijn generatie werden een tijdlang "de Revisor-schrijvers' genoemd, of ook wel de "academisten'; schrijvers die reageerden op de stortvloed van bekentenis- en gevoelsliteratuur van de jaren zestig en zeventig door hun nadruk op de vorm te leggen. Gevoelsuitbarstingen maakten plaats voor een intellectueel spel vol veelzeggende verwijzingen naar grote kunst, het "ware' leven werd door hen ontmaskerd als een zelfbedachte constructie, hun personages leefden in een wereld van literaire symboliek. Hun aartsvijand was het realisme, hun totem de wereldliteratuur.

Zoals dat gaat met stromingen en bewegingen en generaties, hebben ook de Revisor-schrijvers een voor een manmoedig geprobeerd aan grove etikettering zoals hierboven te ontkomen. Dat is slechts een enkeling gelukt. Toen er halverwege de jaren tachtig een reactie tegen hen ontstond - bloedeloosheid was het belangrijkste punt van kritiek dat tegen hen kon worden ingebracht - was er geen sprake van een krachtig verweer. De ironie wil, zoals altijd, dat de romans die het voorbeeldigst beantwoordden aan het beeld dat de kritiek van de Revisor-generatie heeft geschapen, nu ook al het meest deel uitmaken van de literatuurgeschiedenis, met andere woorden, morsdood zijn.

Trucjes

Ook in het verzameld werk van Frans Kellendonk zijn sporen van de literaire mode van gisteren te vinden; voor mij zijn dat vooral de symbolen die het verhaal van buitenaf door de schrijver krijgt opgelegd, de hier en daar al te mechanische verwijzingen naar de Bijbel en andere literaire hoofdbronnen. Meestal, zoals in Mystiek lichaam, komt die religieuze symboliek op een natuurlijke manier voort uit het verhaal en maakt ze er op een organische manier deel van uit. In andere gevallen zijn het meer handige trucjes van een scherpe geest, wat ik maar het typische Revisorvernuft zal noemen.

Wanneer in De nietsnut er een hotel Eden voorkomt, dan kun je er gerust om wedden dat die plek voor de hoofdpersoon Frits Goudvis het aardse paradijs symboliseert. Ook de duif die de leeszaal in Letter en geest binnenvliegt en indirect leidt tot een zinloze zaadlozing van de hoofdpersoon Felix Mandaat, heeft voor mijn gevoel iets te veel met de Bijbel en iets te weinig met de werkelijkheid van de vertelling te maken.

Deze aspecten trokken de meeste kritische aandacht toen de boeken afzonderlijk verschenen en namen het grootste deel van de recensies in beslag, maar maken op mij nu het minste indruk. Het complete werk biedt openbaringen die veel belangrijker zijn dan de wetenschap dat De nietsnut een binnenstebuiten gekeerd Hamletverhaal is. Ook bij herlezing van alles dat Frans het waard achtte om opgenomen te worden (er ontbreekt weinig, zover ik kan nagaan: wat jeugdwerk van vóór Bouwval, een reisschets, het intrigerende verhaal "Trouwportret' en een paar literair-kritische stukken), blijft Mystiek lichaam het boek dat alle andere overschaduwt. Maar wat ik niet eerder gezien had, is hoezeer de romans en verhalen die Frans daarvoor schreef hun schaduw vooruitwerpen naar Mystiek Lichaam.

Zelf heeft Frans eens tegen me gezegd dat hij zich niet bewust was van de onderlinge coherentie die zijn boeken vertonen: “Iedere keer wanneer ik er een begon, dacht ik nu ga ik iets héél nieuws doen.” Dat is ook wel zo, zeker wanneer je naar de vorm kijkt. Je zou kunnen zeggen dat zijn schrijverschap per boek radicaler werd: van de nogal traditionele vertelling Bouwval uit 1977, via de vormexperimenten van De nietsnut en Letter en geest, naar het volwaardige postmodernisme van Mystiek lichaam. Uit een van zijn laatste interviews blijkt dat hij een tijdlang nóg radicalere plannen had: daarin zei hij zich sterk aangetrokken te voelen tot de extreme herschepping van wat al geschreven was, explosieve experimenten in de trant van de Amerikaanse Kathy Acker, die haar controversiële loopbaan begon met het schaamteloos naar haar hand zetten van Dickens' Great Expectations. (Zo'n postmoderne roman zou in ieder geval voor nog een fijn Hollands schandaal hebben gezorgd: de auteur zou onmiddellijk door een journalist van overschrijven zijn beschuldigd.)

Oerfamilie

Toch verschilt de mentale geografie van Mystiek lichaam veelzeggend weinig van die van Bouwval: een huis, een vader, een zoon, een zusje. De zoon die in de novelle verdreven werd uit de gemeenschap die zijn familie vormde, simpelweg omdat hij die gemeenschap voor zijn ogen uiteen zag vallen, keert in de roman terug in de schoot van diezelfde oerfamilie, waarvan de overgebleven leden inmiddels groteske vormen aangenomen hebben. Aapje uit Bouwval is geëvolueerd in Prul, de vader van de kroonprins in de vrek A.W. Gijselhart en de kroonprins zelf is nu Broer geworden, de homoseksuele Leendert die berooid en mislukt terugkeert naar het ouderlijk huis, dat nu de Doornenhof heet. De familie is in Mystiek lichaam een Familie geworden, het mystieke lichaam dat de gemeenschap van mensen verbeeldt, waaraan de homoseksueel geen deel kan hebben omdat hij niet tot de geschiedenis van het vlees behoort. Het isolement is totaal, verbondenheid is er alleen met de dood.

Ook de tussenliggende romans blijken in Het complete werk schakels in een ketting. In Bouwval wil de kroonprins ontsnappen aan wat hem bindt. In het portret van Langueur ziet hij de lotsbestemming van zijn familie: "Deze idee was paradoxaal, duizelingwekkend veelomvattend: onvrijheid, verbondenheid, geborgenheid en eenzaamheid waren erin tot één geheel gesmeed.' Net als Bouwval wordt ook De nietsnut overheerst door de vader, die zich opsluit in een "larvenbestaan' en het de zoon onmogelijk maakt in de gemeenschap van de familie te blijven. Aan het slot, wanneer Frits Goudvis letterlijk in de voetstappen van zijn dode vader is getreden en zich van zijn stille aanwezigheid bevrijdt, besluit hij zich aan de wereld uit te leveren: "Eén ding wist ik nu zeker: ik wilde niet meer vertoeven in de eenzaamheid van de ziel waar je ijl bent en vluchtig en elke gedaante kunt aannemen die je wordt voorgespiegeld door je ambitie of medelijden. Mijn vader had zich daar te veel opgehouden; daarom was hij nu zo volslagen dood. Ik moest mijn leven maar eens met anderen gaan delen.'

Wat staat er op de eerste bladzijde van Letter en geest uit 1982? "Mandaat loopt tegen de dertig. De klap die dat geeft kan hard aankomen, dat weet hij. Met het oog daarop heeft hij besloten dat hij zijn leven maar eens met anderen moet gaan delen.' De roman beschrijft het desastreuze verloop van dat experiment in menslievendheid. Mandaat is een papieren personage waarover de geest maar niet vaardig wil worden (die duif!). De collega's van de bibliotheek waar hij werkt zijn echt (de hoogzwangere mevrouw Qualing loopt vooruit op de geheiligde moeder Prul in Mystiek lichaam) en vormen een gemeenschap die Mandaat niet toelaat en waar hij eigenlijk ook niet bij wl horen.

Maar zijn verlangen is zo groot dat hij het niet uit durft te spreken. Het is het verlangen naar liefde, het woord dat met zoveel nadruk ongenoemd blijft: "U hoeft het niet echt uit te spreken. Vorm het alleen met uw lippen, hij zal het herkennen.' Wanneer Mandaat na een mislukt afscheidsborreltje in een café in de trein naar huis zit, ziet hij de gemeenschap voor zich waaraan hij geen deel heeft: "Ze houden elkaar hun gezichten toegewend en Mandaat begrijpt dat ze iets met elkaar hebben, iets waar hij nooit bij zal kunnen en dat zich veruiterlijkt in een glimlach die niet slechts in elk van hen is, maar ook tussen en boven hen allen te zamen. (...) Ze vormen een Gemeenschap van Heiligen. Ze maken allen deel uit van hetzelfde Mystieke Lichaam.'

Nylonkous

Angst en verlangen, dat zijn de twee polen waartussen het werk van Frans Kellendonk zich beweegt. "Alle vrees is als glas,' zegt de dronken vader van Frits Goudvis in De nietsnut en tussen het bewustzijn van alle hoofdpersonen en de buitenwereld staat een dikke glazen wand. Emoties kunnen nooit direct worden geuit, ze moeten vertolkt worden, of desnoods gemimed: "Met een nadrukkelijk gebrek aan overtuiging speelde hij dat hij met mij zat te praten' (De nietsnut). "Hij zat nu rechtop in zijn stoel, vriendelijkheid als een nylonkous over zijn gezicht getrokken.' (idem) Om hun emoties te kunnen voelen, moeten de personages ze eerst spelen. In Bouwval rent Aapje door het grote huis zo wild als ze kon om zich maar onverantwoordelijk te kunnen voelen.' En in het honende zelfportret dat Frans van zichzelf geeft in het verhaal "De verheerlijking' heet het: "Geen opmerking zo triviaal, of hij bracht die alsof hij bezig was het academisch jaar te openen.'

De glazen wand wordt niet geslecht in Mystiek lichaam. Integendeel, hij is een muur geworden. De gevoelens van verstoting zijn gestold tot ideeën over een natuurlijke orde, waarbinnen voor de homoseksuele Broer geen plaats is. De kunst waaraan hij zich wilde wijden is steriel gebleken, niet beter dan de woekerzucht van zijn vader. Geïdealiseerd wordt het moederschap van de onnozele Prul; homoseksuelen maken elkaar alleen zwanger van de dood. In Mystiek lichaam sneed Frans zich zo diep in zijn eigen vlees, dat je van een papieren zelfmoord zou kunnen spreken. Van enige loutering of zelfs maar hoop is in die roman geen sprake. De humor in het boek - en je zou bijna vergeten dat Mystiek lichaam prachtige komische scènes heeft - is humor die alles nog een tint zwarter schildert.

Wat was de gemeenschap die Frans Kellendonk onthouden werd? Bij een zo'n romantische geformuleerd ideaal moet wel sprake zijn van een idylle. Ik heb eerder geschreven dat Frans wellicht zo'n geïdealiseerd beeld van de gemeenschap met anderen had, van vriendschap en liefde, dat de werkelijkheid wel móest tegenvallen. Werd van Byron gezegd dat hij dacht als een classicist en voelde als een romanticus, bij Frans lag het ingewikkelder, namelijk precies andersom: hij dacht als een romanticus en hij voelde als een classicist. In zijn werk zie je zijn pogingen om de kloof tussen zijn romantische, "autistische' kunstenaarschap en de wereld te overbruggen verbeeld door de paradoxale begrippenparen waarvan hij zich zo graag bediende: ideeënmuziek, denkend voelen en voelend denken, oprecht veinzen.

Dijkdoorbraak

Die idylle van gemeenschap is te vinden in kinderscènes die plotseling opduiken in Bouwval en Mystiek lichaam; de kroonprins en Aapje die samen het grote huis van de grootvader verkennen, de kleine Prul die slaapwandelend over de eettafel loopt ter overstaan van de rest van het gezin Gijselhart: "Er heerste een noeste verbroedering om de tafel, als bij een dijkdoorbraak.'

Er is nog een idylle, die verborgen ligt tussen de stukken die Frans gerangschikt heeft onder de noemer "Dagwerk'. Het is een stukje dat hij voor het Amsterdamse studentenblad Folia Civitatis schreef. Het heet "Per veerpont' en daarin beschrijft hij zijn liefde voor de veerpont ("Veerponten zijn een levenslange idylle van mij') en hoe hij op een veerpont de Amstel overvaart. "Het bootje zat gezellig vol, in het geboomte langs de rivier braken de herfstkleuren door en terwijl we over het water tjoekten konden we ons koesteren in een krasse najaarszon. Er waren twee baby's aan boord, een bruinogige en onmiskenbaar mannelijke baby, die in het stuurzitje van zijn vaders fiets heerszuchtig zat te fronsen, maar bij wie gaandeweg, misschien wel voor het eerst van zijn leven, de emotie stille tevredenheid veld won. Een meisjesbaby lag in een wandelwagen te slapen alsof ze nooit iets anders dan die emotie gekend had. De idylle in haar zuiverste vorm, kortom, een voorproefje van de hemel.'

In een hemel geloofde Frans uiteindelijk niet, wel in een hemel op aarde. De grote woorden, hemel, liefde, God, schrijft hij in het naschrift bij zijn Vondellezingen, zijn loze woorden gebleken, maar we kunnen ze weer betekenis geven door ze te nemen voor wat ze zijn: uitingen van verlangen. Dat naschrift moet in Het complete werk fungeren als het vervolg op Mystiek lichaam, want het leven was nog niet klaar met Broer.

Frans stierf aan aids, de ziekte die Broer definitief van de rest van de mensheid isoleert. Eerder heb ik geschreven dat zijn lange, slopende ziekbed - hoe wrang dat ook klinkt - tegelijk ook een verrijking moet hebben betekend; de gedwongen afhankelijkheid van anderen tijdens dat lange laatste jaar, slechtte de glazen wand die ook in zijn leven om hem heen leek te staan. Nu hij fysiek niet langer in staat was de buitenwereld te betreden, had hij er geestelijk geen moeite meer mee zich onder de mensen te begeven. Dat hij het zo ontzagwekkend lang volhield, was niet omdat hij bang was voor de dood. Ik vermoed dat Frans hartstochtelijk veel van het leven hield; nu ik zijn verzameld werk herlezen heb, weet ik het wel zeker.

Dat is biografie natuurlijk, een genre waaraan Frans een hekel had, omdat het kunstwerken reduceert tot de levensfeiten van de makers, die nu juist zo hun best gedaan hebben om er kunst van te maken. Wat met veel inspanning boven het particuliere uitstijgt, moet niet weer tot het zuiver particuliere teruggebracht worden. Voor de lezer schuilt het gemis erin dat Frans Kellendonk de authentieke openbaringen van dat laatste jaar, om een groot woord te gebruiken, niet meer kon vertalen in een boek. Dat maakt Het complete werk zo wanhopig incompleet.