William McNeill over de motor van de wereldgeschiedenis; Hoe het Westen won

McNeill spreekt morgen op het congres "Fire and Civilization', georganiseerd t.g.v. de verschijning van de Engelse editie van Goudsbloms "Vuur en Beschaving'. Behalve McNeill en Goudsblom zal o.a. ook de Franse archeologe Catherine Perlès het woord voeren. Aanvang 9.15u, OostIndisch Huis, Oude Hoogstraat 24, Amsterdam. Kaarten aan de zaal.

Op zondag 22 november geeft McNeill in Paradiso (Amsterdam) een lezing over de "Conceptualization of World History'. Aanvang 13.00 uur.

De wanden zijn bekleed met donker eikenhout en het meubilair is van hetzelfde zware materiaal. Aan de oude tafel zit een forse man. Af en toe fronst hij tegen het lage zonlicht dat door de ramen valt.

De Amerikaanse historicus William McNeill is een week of wat te gast op het eerbiedwaardige Trinity College in Cambridge. Hij geeft er een paar colleges en de komende dagen zal hij ook in Amsterdam spreken.

Hij is in 1917 geboren, dus hij moet nu 75 zijn. Maar hij heeft de dynamiek van een man van 45, en zijn geest lijkt niet veel ouder. Met groot gemak vat hij drie millenia in een paar zinnen samen. Af en toe tekent hij met zijn handen een wereldkaart op de tafel en met brede gebaren laat hij dan zien hoe de eerste irrigatietechnieken zich verspreidden.

McNeill heeft zich toegelegd op wereldgeschiedenis - de geschiedenis van de menselijke soort op aarde en de trends die daarin te onderscheiden zijn.

""Ik begrijp dat het vak in Europa niet zoveel academische respectabiliteit heeft'', zegt hij. ""Maar in Amerika is dat anders.'' Op belangrijke posten aan Amerikaanse universiteiten zijn wereldhistorici benoemd en zelf is McNeill - tot aan zijn emeritaat hoogleraar aan de Universiteit van Chicago - in 1985 gekozen tot president van de American Historical Association. Het is een erebaan die de erkenning is van grote wetenschappelijke verdiensten. In Nederland is McNeill vooral bekend onder sociologen en cultureel antropologen. Het Amerikaanse Journal of World History, een paar jaar geleden opgericht door historici die zich door het werk van McNeill laten inspireren, is in Amsterdam niet op het Historisch Seminarium, maar wel op het Post Doctoraal Instituut voor de Sociologie in te zien.

McNeill heeft een indrukwekkend aantal boeken op zijn naam staan. De bekendste zijn The Pursuit of Power (1983, over de geschiedenis van de militaire technologie) en vooral Plagues and Peoples (1976). In dat laatste boek poneerde hij de stelling dat de menselijke geschiedenis veel beter begrepen kan worden als we aan micro-organismen de betekenis geven die hun toekomt. De mensen leven in een precair evenwicht met bacteriën, virussen en andere parasieten en de loop van de geschiedenis is meer dan eens door verstoring van dat evenwicht bepaald. Dat Cortez in 1519 met zeshonderd soldaten het miljoenenrijk van de Azteken veroverde, moet bijvoorbeeld voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de besmettelijk ziekten - vooral pokken - die de Europeanen importeerden. Zelf waren ze er niet meer vatbaar voor, maar de Indianen stierven bij duizenden. Het is een episode uit het boek, een door historici en biologen nooit weersproken behandeling van de kleinste deelnemers aan de wereldgeschiedenis.

Wie het boek leest kan de indruk krijgen dat hier een historicus een gouden greep heeft gedaan, zo'n treffer waar elke geleerde recht op heeft. Maar het is anders. Plagues and Peoples is eigenlijk een uitgebreide voetnoot bij The Rise of the West (1963), het magnum opus van McNeill. De Rise telt meer dan 800 pagina's en bevat vele kaarten en tekeningen. Het is een wereldgeschiedenis die sterk in het teken staat van de centrale stelling van McNeill: de geschiedenis is het resultaat van de wisselwerking van beschavingen. Als samenlevingen met elkaar in contact komen - door handel, oorlog of ontdekkingsreizen - zullen ze van elkaar technieken en gebruiken overnemen en daar vaak een nieuwe bestemming aan geven. Ze kunnen dat ook niet doen, en proberen hun eigen identiteit te bewaren. Maar in beide gevallen verandert er iets en het zijn die veranderingen die de geschiedenis zijn loop geven.

U schrijft in het voorwoord van de Rise of the West dat u in 1936 op het idee voor dat boek kwam. U was toen negentien jaar oud.

""Ik studeerde nog. Ik wilde de geschiedenis van de wereld zoals ik die toen begreep samenbrengen in een boek. De wereldgeschiedenis was voor mij de klassieke wereld, de oude Middellandse Zee-beschaving en de Europese geschiedenis die daarop volgde. De rest van de wereld voegde zich bij de geschiedenis als de Europeanen iets veroverden, ontdekten of er iets anders mee deden. We wisten dat China bestond voordat de Europeanen daar kwamen, maar het was geen deel van de geschiedenis. Binnen dat beperkte raam vatte ik het plan op een geschiedenis te schrijven die patronen en structuur zou hebben, opkomst en verval, in cyclische episoden.''

Zoals Toynbee deed?

""Ik las Toynbee in 1940, de eerste drie delen van A Study of History. Dat was een openbaring! Hij zag lijnen in de geschiedenis: in de opkomst en het verval van de beschavingen die hij beschreef zat een patroon. Ik realiseerde me voor het eerst dat je met een goed uitgangspunt de geschiedenis van alle delen van de wereld op een samenhangende manier kon behandelen. Dat was een enorme uitbreiding van het perspectief, en ik ben hem er nog dankbaar voor. Het betekende wel dat ik nog veel moest leren: India, China, de islamitische wereld en de Amerikaanse Indianen deden nu ook mee en daar wist ik weinig van. Afrika was toen nog tamelijk onbekend.

""Mijn tweede inspiratiebron waren de colleges culturele antropologie die ik volgde. Ik heb het altijd als een groot voordeel van het Amerikaanse onderwijssysteem gezien dat je je niet te vroeg specialiseert en colleges in een ander vak waren gewoon verplicht. In die tijd werd er tamelijk wat onderzoek gedaan naar "culturele trekken': het idee om in culturen duidelijke kenmerken te onderscheiden en dan te onderzoeken hoe die zich verspreiden naar andere culturen. Robert Redfield was een van de mensen die in die richting werkten. Ik herinner me dat ze onderzochten hoe een bepaalde manier om franjes aan buffelhuiden te knippen zich verspreidde van Mexico naar het noorden - van de ene stam naar de andere. Ik vond dat heel overtuigend en ik kreeg het idee om die antropologische inzichten en de cyclische civilisaties van Toynbee in één aanpak samen te brengen. Dat betekende dat ik afstapte van Toynbee's idee dat de afzonderlijke beschavingen zich apart ontwikkelden. Mij leken juist de contacten tussen de verschillende samenlevingen van wezenlijk belang. Dat is wat ik in de Rise of the West heb geprobeerd te laten zien.

""Zoals ik het zie begint het Westerse systeem als een gebied rond het oude Mesopotamië. Daar, tussen de Euphraat en de Tigris, vormde zich een paar duizend jaar voor onze jaartelling een wereld waarin mensen van verschillende culturen contact met elkaar hadden, doordat ze over transportmogelijkheden beschikten. In het derde millenium voor Christus haalden de Sumeriërs hun metaal al helemaal uit de Karpaten. In het tweede millenium, met de komst van de strijdwagens, reikte die communicatie-zone steeds verdere - tot in China en Europa, op het laatst zelfs tot in Zweden en Engeland. Dus dan heb je een smalle band die loopt van de Atlantische tot aan de Stille oceaan. Daarna wordt die band breder. In de eerste eeuwen van onze jaartelling steken kameelkaravanen de woestijnen over. Afrika ten zuiden van de Sahara gaat meedoen en ook de beide zijden van de Aziatische woestijn maken nu deel uit van het systeem. Het is een soort wereld, de Eurazische wereld. Dat systeem breidt zich steeds verder uit, met Columbus steekt het de Oceaan over en wordt steeds wereldomvattender. Totdat het in onze tijd wereldomvattend is. Dit is de belangrijkste beweging van de menselijke geschiedenis geweest, daar zijn de meeste dingen gebeurd.''

Dus het Westerse systeem won. Maar waardoor?

""Ik denk dat als een bepaalde groep of een deel van de wereld een bepaald niveau heeft bereikt, dan wordt dat onweerstaanbaar, dan verspreidt dat zich, dan moet zich dat verspreiden. Dat is een noodzakelijk en wereldomvattend proces. De kern van de wereldgeschiedenis.''

Een motor?

""Ja, een motor. Het voorbeeld van China is verhelderend. Tussen 1000 en 1500 was China toonaangevend. Europa ontleende aan China de sleutels voor zijn latere dominante positie: het kompas, de drukkunst en het buskruit. Zonder het kompas zouden de ontdekkingstochten veel moeilijker zijn geweest, en met het buskruit beschermden de ontdekkingsreizigers de schepen. En de exploitatie van de drukkunst is werkelijk verbazingwekkend geweest. Columbus' eerste brief werd in minder dan een jaar tijd in zes Europese steden gepubliceerd. De rest van de wereld had er geen aandacht voor. De geleerden van China en India en de moslimwereld wilden er niet aan, het verstoorde hun wereldbeeld. Maar de Europeanen waren gefascineerd - terwijl het toch ook een streep door hún rekening was. Want hoe pas je bijvoorbeeld de Amerikaanse indianen in de bijbelse geschiedenis in?

""De Chinezen gebruikten de druktechniek niet voor het verspreiden van nieuws. De Europeanen pasten een geleende techniek toe, voor nieuwe doeleinden. Zo vinden die verschuivingen van de centra steeds plaats: door te lenen van andere centra. De opkomst van China in 1000 was op zijn beurt ook een gevolg van een succesvolle overname van technieken uit het Midden-Oosten. Hoe je een bazar moet exploiteren en andere commerciële technieken.''

Dus dat is het basisprincipe van de wereldgeschiedenis? Lenen en overnemen?

""Ja, zoals ik het begrijp is het precies dát - vanaf het moment dat er zich een duidelijke verdeling van technieken en vaardigheden vormt. Als een deel van de wereld een technologie beheerst die in een ander deel nog onbekend is, moeten de mensen die er in contact mee komen zich afvragen: vinden we het wat of niet? Als ze het wat vinden, willen ze ook zo zijn. Ze zullen proberen die vaardigheden ook te verwerven en dat kan betekenen dat ze hun eigen gewoonten moeten veranderen. Die vaardigheden zijn geografisch verdeeld en als ze aantrekkelijk zijn verspreiden ze zich. Soms springen ze, zoals het irrigatiesysteem dat van de Euphraat en de Tigris naar de Indus sprong, en naar de Nijl.

""Maar als een samenleving niet aan iets nieuws wil, moeten de mensen ook iets verzinnen. Ze moeten het wegduwen, ze moeten proberen er vrij van blijven. Dat kan ook tot drastische veranderingen en aanpassingen leiden, want de nieuwe technieken van die andere samenleving kunnen ook een bedreiging vormen. Dat is de dialectiek van de menselijke geschiedenis.''

Zoals Japan nu belangrijke dingen van ons overneemt?

""Natuurlijk! Dat is de 64 miljard dollar-vraag van onze tijd: zal de vooraanstaande positie van het Westen nu plaats maken voor een nieuw, Aziatisch centrum. Ik denk overigens eerder aan China dan aan Japan. China zou wel zijn miljarden-bevolking moeten moderniseren.''

Verwacht u dat?

""Dat is de vraag voor de volgende eeuw. Zij zijn met zovelen, en ze werken zo gedisciplineerd... Als je rondkijkt op een Westerse universiteit, hier in Cambridge, maar ook in de Verenigde Staten, zie je een plotselinge aanwas van mensen van Oost-Aziatische oorsprong: Japanners, Chinezen, Vietnamezen, in mindere mate van Philippino's. Het is spectaculair! Ze laten de rest van ons achter, in vele opzichten. Ze studeren harder, ze behalen betere resultaten. Het is de Confuciaanse traditie, die zoveel gewicht toekent aan opleiding als een middel om vooruit te komen, en die ertoe leidt dat Aziaten maximaal van ons onderwijssysteem profiteren. Een paar generaties eerder waren het de geëmigreerde joden uit Oost-Europa. Die hadden een soortgelijke traditie van eerbied voor studie, en hun succes in onze academische en professionele beroepen is verhoudingsgewijs zeer groot geweest.

""Als de Aziaten datzelfde in hun eigen samenleving voor elkaar kunnen krijgen, zullen ze de rest van de wereld achter zich laten. Japan heeft dat in een aantal belangrijke opzichten al gedaan. Als het gebeurt, komt het door het lenen van Westerse technologie. En door die op een nieuwe manier toe te passen.''

Denkt u dat de wereldgeschiedenis zal uitlopen op een wereldregering?

""Ik weet het niet. De krachten in die richting en de weerstanden ertegen zijn in precair evenwicht met elkaar. Technologisch gesproken is het mogelijk, de communicatie- en transportmogelijkheden zijn zodanig dat het tamelijk eenvoudig is macht uit te oefenen over welk deel van de aarde dan ook. Je kunt overal in 24 uur zijn, in vroegere wereldrijken duurde het een half jaar voordat het centrum kon reageren op een bedreiging in een afgelegen deel.

""Maar het zou een radicale verandering van ons politieke systeem zijn. Het zou neerkomen op een soort militaire dictatuur, want een wereldregering is het meest plausibel als uitkomst van een gewapend conflict. Dat is het patroon dat we al vaker hebben gezien: staten strijden met elkaar, een onderwerpt de rest en sticht een imperium. Geen van die imperia is ook maar een beetje democratisch geweest.

""De democratische weg naar een wereldregering is veel moeilijker. Het zou betekenen dat je een soort wereldpolitie moet instellen. Ik kan me niet voorstellen dat de VS een leger zouden sponsoren waar ze zelf geen controle over hebben, en dat zou ook opgaan voor de andere leden van de Veiligheidsraad.''

De motor van de sociale verandering zou ook tot stilstand komen.

""Nee, dat denk ik niet. Contacten tussen vreemden zullen niet verdwijnen. En zolang er differentiatie in het menselijk leven is, zolang zullen er contacten zijn en de vraag wat je aan moet met iets dat je niet kent. En zelfs als er een eind aan politieke en militaire rivaliteit zou komen - die altijd een zeer krachtige motor van technologische verandering is geweest - is het nog steeds niet zo dat ieder mens hetzelfde zou willen. Het beste voorbeeld dat ik kan geven is de verhouding tussen Canada en de VS. Twee naties die zeer op elkaar lijken, maar die hun verschillen koesteren. Ik ben in Canada geboren en als kleine jongen naar Amerika verhuisd. Ik herinner me heel goed hoe mij op school werd ingeprent: wij Canadezen zijn beter omdat we arm zijn, of we zijn arm omdat we beter zijn - in ieder geval hadden die twee iets met elkaar te maken.''

Van The Rise of the West zijn meer dan 100.000 exemplaren verkocht en het is na dertig jaar nog steeds in druk. Hoe verklaart u dat succes?

""Nou, het is een goed boek, haha. Er bestond voordien geen boek dat de diepgang en de precisie had die ik heb bereikt. Dat betekent niet dat ik overal gelijk in had. Hebt u mijn voorwoord bij de laatste druk gezien? Daarin heb ik een overzicht gegeven van de nieuwe inzichten die de afgelopen dertig jaar hebben opgeleverd. De correcties zijn nogal belangrijk, vooral de herwaardering van China tussen 1000 en 1500. China was in die periode veel machtiger dan ik toen dacht. En zo gaat het door. Ik heb net Fire and Civilization gelezen, het boek over vuurbeheersing van Johan Goudsblom. Een eye opener, vooral de eerste hoofdstukken. In het licht van die inzichten zouden in de eerste hoofdstukken van de Rise of the West aanzienlijke veranderingen moeten komen. Ik had vrijwel niets over de beginnende beheersing van vuur.

""Maar ik laat het maar zoals het is. Ik heb nooit de behoefte gehad het boek te herzien. Daar moet je jong voor zijn, want je zou helemaal overnieuw moeten beginnen. Als je zo'n boek gedeeltelijk gaat herzien, verknoei je het.

""Daar komt bij dat je intellectuele vermogens niet beter worden naarmate je ouder wordt. Ik ken verschillende voorbeelden van historici, die zichzelf te schande hebben gemaakt door boeken te schrijven die ze niet hadden kunnen laten drukken als ze geen professor waren.''

Zoals Toynbee?

""O ja. In sterke mate. In '54 en '55 werkte ik onder zijn leiding aan een onderzoek naar de relaties tussen Rusland, Amerika en Engeland. Elke middag aten we in het souterrain van het Royal Institute onze boterham op. Ik probeerde dan kwesties aan te roeren waarover ik een andere mening had: vooral over zijn opvatting over de gescheiden ontwikkeling van beschavingen. Maar hij was in de zestig en ik in de dertig en hij deed niet echt zijn best me ernstig te nemen. Hij was altijd beleefd en hoffelijk, maar ik heb nooit het idee gehad dat ik zijn wereld kon doordringen. Zijn eigen wereld, die een generatie voor mij was gevormd.

""Maar weet u, als u mijn ideeën in twijfel zou trekken - over de rol van vreemdelingen in de geschiedenis, over hun betekenis voor de ontwikkeling van andere samenlevingen - dan zou ik waarschijnlijk ook niet luisteren. Dat is een van de dingen waar ik zo zeker van ben. Ik zou echt niet weten welk argument mij aan het twijfelen zou brengen.''

    • Warna Oosterbaan