Weernormalen in Nederland; Steeds meer regen

De diskette "Normalen' kost ƒ 219,- (excl. BTW.) en kan besteld worden bij de klimatologische dienst van het KNMI in De Bilt.

In de weerberichten worden vaak vergelijkingen gemaakt met de "normalen'. Eigenlijk is "normalen' geen gelukkig gekozen benaming, beter kan gesproken worden over "gemiddeld' weer.

"Gemiddelde' dagen komen in Nederland maar weinig voor. Voor een of meerdere weerselementen wijkt het weer vaker niet dan wel flink van het gemiddelde af. Toch kan dit gemiddelde weer natuurlijk goed gebruikt worden om een trend in de klimatologie aan te geven. Wordt het warmer of kouder, zonniger of natter?

Weerkundigen gaan er in het algemeen van uit, dat een periode van 30 jaar genomen moet worden om een gemiddelde te berekenen dat stabiel genoeg is. Aan het eind van een periode van 10 jaar wordt dan ook altijd driftig aan de nieuwe "normalen' gerekend.

Vroeger moest die berekening grotendeels handmatig gebeuren en het duurde jaren voordat de resultaten beschikbaar waren. Zo werden de normalen van de Nederlandse stations voor de periode 1931-1960 pas in 1968 gepubliceerd. Voor de periode 1941-1970 zijn de berekeningen niet eens uitgevoerd. Het boek met de normalen van 1951-1980 kwam al in het begin van 1982 uit en nu zijn ook de normalen van 1961-1990 door het KNMI in De Bilt beschikbaar gemaakt. Zoals het hoort in dit computertijdperk gaat de publicatie van een diskette vooraf aan de uitgave in boekvorm.

Voor de klimatologisch genteresseerde Nederlander bevat de diskette een schat aan informatie. Voor elementen als temperatuur (gemiddeld, maximum en minimum), vochtigheid, neerslag, verdamping, wind, zonneschijn en straling vinden we normalen per decade (periode van tien dagen), per maand, seizoen en jaar. Ook staan er per plaats de statistieken in van het aantal dagen waarop een weerselement aan bepaalde criteria voldoet, bijvoorbeeld zomerse dagen, ijsdagen, regendagen, zonloze dagen etc. De wind is o.a. uitgesplitst in frequenties per 20 graden windrichting voor iedere Beaufort klasse.

Winterkou

Uiteraard was ik benieuwd naar de verschillen tussen de jaren 1931-1960 en 1961-1990. In de eerste periode vinden we een aantal strenge tot zeer strenge winters: 39/40, 40/41, 41/42, 46/47 en 55/56. Voor de winterkou in de tweede periode zijn vooral de winters van 62/63, 78/79, 84/85 en 85/86 van belang, maar met uitzondering van 62/63, dat de koudste winter van de eeuw was, had de periode 61-90 toch minder winterweer dan de voorgaande periode van 30 jaar.

Koude wintermaanden werken behoorlijk sterk door in 30-jarige gemiddelden. Zo zit een koude wintermaand snel 3-6 graden beneden het langjarig gemiddelde en één enkele koude wintermaand kan zo een invloed van 0,1-0,2 graden op dat gemiddelde uitoefenen. Ik was er dan ook niet verbaasd over dat de gemiddelde temperatuur in januari en februari nu 0,5 graden hoger uitkomt. Ook oktober is 0,5 graden warmer geworden, maar voor alle andere maanden zijn er geen tot uiterst kleine verschillen.

Voor de wintermaanden valt het dan ook nog op dat de stijging van temperatuur vooral veroorzaakt wordt door de warmere nachten en gezien de toegenomen bebouwing. Het stadseffect heeft vooral op nachtelijke temperaturen een grote invloed. Het jaar als geheel levert nu een gemiddelde temperatuur van 9,4 graden op tegen 9,3 dertig jaar eerder en 9,2 graden in de periode 1951-1980. Als we alléén naar de getallen van De Bilt kijken dan is een eventueel broeikaseffect op geen enkele manier aantoonbaar.

Zonneschijn

De verschillen in zonneschijn zijn belangwekkender. Van de 12 maanden zijn er 8 somberder geworden, en het aantal uren zon op jaarbasis is met bijna 100 uur gedaald. De verschillen zijn het grootst in het voorjaar. De verschillen die ook voor andere plaatsen in Nederland vrijwel even groot zijn kunnen uiteenlopende oorzaken hebben. Een heel banale verklaring is dat de zonneschijnstroken die uit de Campbell-Stokes zonneschijnmeter gehaald worden met de hand verwerkt worden. Dat is tijdenlang steeds een en dezelfde persoon geweest. Na een wisseling van de wacht kan er iemand gekomen zijn die consequent de hoeveelheid zon wat somberder inschat.

Een andere oorzaak kan zijn dat er door het sterk toegenomen vliegverkeer steeds vaker contrails (vliegtuigstrepen) aanwezig zijn, die net genoeg zonneschijn wegnemen om het inbranden in de zonneschijnstrook te voorkomen. Een betere maat is het daarom om ook te kijken naar de verschillen in de globale straling (de directe straling van de zon), die veel minder last heeft van contrails. Frappant is dan dat in 1961-1990 die straling t.o.v. de tien jaar eerdere periode met 1,4% toeneemt terwijl de zonneschijn 2% lager uitvalt. Een leuk onderzoek voor een student meteorologie om de precieze oorzaak te achterhalen.

Neerslag

De belangrijkste verschillen treden op in de hoeveelheid neerslag. Het jaar als geheel is ongeveer 35 mm natter geworden, maar de verschillen per maand zijn nog meer uitgesproken. Zo was in '31-'60 augustus de natste maand van het jaar, maar door een reeks zeer droge augustusmaanden in de tachtiger jaren is augustus naar de 5e plaats afgezakt. In tien jaar tijd zakte het augustussom van 88,2 naar 70,9 mm. Overigens: nog een paar natte augustusmaanden zoals we net gehad hebben en we zijn weer terug bij AF. De omgekeerde route werd door maart bewandeld. Vroeger was het de droogste maand met 44,3 mm en nu is dat gestegen naar 62,9 mm.

Behalve een vergelijking tussen perioden biedt de KNMI-diskette ook de mogelijkheid om snel vergelijkingen tussen verschillende plaatsen te maken.

Hieronder een lijstje met verschillen die mij opvielen:

IJsdagen (max. temp. onder 0): meest in Eelde (15), minst in Valkenburg, Vlissingen en Rotterdam (7).

Vorstdagen (min. temp. onder 0): meest in Eelde (77), minst in Vlissingen (29).

Zomerse dagen (max. temp. 25 tot hoger): minst in De Kooy (5), meest in Volkel (26).

Jaargemiddelde temperatuur: het hoogste in Vlissingen (10,0), laagst in Eelde (8,6).

Neerslag: gemiddeld over het land 760 mm, droogst in Volkel (701,5 mm), natst in Soesterberg (810,1 mm). Er zijn echter nog drogere en ook nog nattere gebieden in Nederland, 15 plaatsen is voor het bepalen van neerslagverdelingen gewoon veel te weinig.

Neerslagduur: kortst in Valkenburg bij Leiden 522,5 uur, langst in Gilze-Rijen 714,5 uur.

Natste maand: november in Den Helder 91,0 mm.

Droogste maand: april in Leeuwarden 35,6 mm. De kuststations zijn duidelijk natter in de herfst en de stations in het binnenland in voorjaar en zomer.

Zonneschijn: meest in De Kooy 1581 uur, minst in Deelen op de Veluwe 1374 uur.

Windvector

De grootste verschillen zijn er in het voorjaar tussen de kust en het binnenland. Door het relatief koude Noordzeewater vormen er zich aan de kust veel minder gemakkelijk stapelwolken.

De gemiddelde wind in Nederland komt uit het zuidwesten. Het is jammer dat de windvector in hele meters per seconde gegeven wordt en niet nauwkeuriger. Bij elementen als neerslag heeft een cijfer achter de komma niets te betekenen, maar bij een windvector die 1 of 2 m/s is hebben de tienden wel degelijk waard.

Ik ga ervan uit dat de diskette voor het overgrote deel door de computer is samengesteld. Het is daarom verwonderlijk iets te vinden wat op een tikfout wijst: voor de gemiddelde zomertemperatuur op Schiphol wordt 6,1 gegeven terwijl het 16,1 moet zijn.