Requiem voor een DDR-acteur

Stein. Regie: Egon Günther. Met: Rolf Ludwig, Franziska Herold, Evelyne Dahm. In: Amsterdam, Desmet; Utrecht, Springhaver.

Sinds de Oostduitse filmmaker Egon Günther, vooral bekend geworden door Lotte in Weimar, rond 1980 naar de Bondsrepubliek uitweek, maakte hij nog voornamelijk televisieprodukties. Zijn lot is in dat opzicht exemplarisch voor de film- en theatermensen uit de voormalige DDR, die onder de huidige omstandigheden moeilijk emplooi meer vinden. In 1990 keerde Günther nog een keer terug naar de, inmiddels aan Europese co-produkties toegewijde DEFA-studio te Babelsberg, om er Stein te draaien, een van de laatste Oostduitse speefilms. De zogenaamde "Umbruch', de aan de val van de Muur voorafgaande, stormachtige periode, waarin intellectuelen en idealisten even de macht leken te kunnen overnemen, vormt het decor van een deels allegorische, deels psychologische film over de laatste jaren uit het leven van een charismatisch acteur. Deze Stein, vertolkt door Günthers voormalige vedette Rolf Ludwig, heeft in 1968, uit protest tegen de inval in Tsjechoslowakije, tijdens een opvoering van King Lear de Bühne voorgoed verlaten. Hij leeft nu, dromend, mompelend en licht dementerend, in een groot geel landhuis. Zijn isolement is niet volkomen; aan het begin wijst hij twee deserteurs uit het Sovjet-leger de deur, maar hij herbergt wel gastvrij een ongeveer twintigjarig meisje - en haar successievelijke minnaars - en een groeiende schare buurkinderen. Zij symboliseren de nieuwe tijd, die hij machteloos adoreert. Het meisje gaat met de oude man in het bad, maar niet naar bed, tot diens verdriet.

Met zwaar theatrale middelen, eigen aan de DDR-filmtraditie, roept Günther een portret op van een gedesillusioneerde generatie, die zich laaft aan het elan van degenen die de Wende voorbereiden. Nu nog meer dan toen de film opgenomen werd, doet Stein dienst als een requiem voor de laatsten der Mohikanen, de toneelspelers en filmers, die aanvankelijk onder het reëel bestaande socialisme leken te gedijen, maar zich uiteindelijk moesten verschansen in een ivoren kunsttoren. Hun adoratie voor de jeugd doet achteraf gezien futiel aan, als een nieuwe hersenschim.

De grootste kracht van Stein, een redelijk bezienswaardig curiosum, ligt niet in de politieke en culturele allegorie, maar in de fossiele schoonheid van zo'n beestachtig goede acteur en de ontroerende naïviteit van een filmmaker die in wonderen durft te geloven.