Mengen of mijden

The New York Times, bijlage Education Life, 1 november

Emoties spelen een belangrijke rol in onderwijsdebatten. Dat is begrijpelijk, want ouders willen nu eenmaal het beste voor hun kind, terwijl hun greep op het onderwijs beperkt is. Ze moeten toezien hoe de overheid reorganisatie op herstructurering laat volgen en hun kinderen, cru gezegd, gebruikt als proefkonijnen in een sociaal-educatief laboratorium. Een van de meestgehoorde bezwaren tegen de basisvorming is dan ook emotioneel zwaargeladen: de vrees dat talentvolle kinderen - en wie vindt zijn eigen kind niet talentvol? - kopje onder zullen gaan in een grauwe middenmoot, die gemakzucht in de hand werkt en uitzonderlijke prestaties ontmoedigt. Apologeten van de basisvorming kunnen nog zo vaak beweren dat dit een vooroordeel is (de indeling in verschillende schooltypes blijft bestaan, onderstrepen ze, de scholen behouden hun eigen eisen, programma en tempo, en kinderen van MAVO , HAVO en VWO hoeven straks niet "door elkaar' in massa-klassen plaats te nemen), de kritiek wordt er niet minder om. Daar zijn de achterliggende emoties te sterk voor.

Nederlandse ouders hebben op dit soort gevoelens geen patent, zo blijkt uit de onderwijsbijlage van The New York Times. In de Verenigde Staten, al een tijd in de ban van een "nationale onderwijscrisis', woedt in het voortgezet onderwijs een soortgelijk debat als dat over onze basisvorming. Inzet is de vraag of er een eind moet komen aan "tracking', het sorteersysteem waarbij kinderen van vergelijkbaar niveau bij elkaar worden geplaatst, ook wel bekend als "ability grouping'. Dat kan gebeuren per vak en binnen een klas, maar ook door klassen en vakken heen. In de wandelgangen is dan vaak simpelweg sprake van een ""smart class'' en een ""dumb class''. Volgens schattingen maakt zestig procent van de Amerikaanse elementary schools (eerste tot vijfde schooljaar) en tachtig procent van de secondary schools (vijfde tot negende schooljaar) gebruik van een vorm van "tracking'.

Onderwijsdeskundigen hebben vanaf de jaren tachtig, toen de eerste geluiden doordrongen over het lage niveau van het Amerikaanse voortgezet onderwijs, de aanval geopend op "tracking'. Ze hanteren principiële en praktische argumenten: het systeem zou onwenselijk zijn omdat het maatschappelijke ongelijkheid in stand houdt, en inefficiënt omdat de slimmeren er niet beter door presteren maar de dommeren er juist wel verder door achterop raken. Dat meent bijvoorbeeld Robert E. Slavin, onderwijskundige aan de John Hopkins University. Uit onderzoek blijkt dat ""het systeem voor de gemiddelde en bovengemiddelde scholier geen voordelen heeft'', zei hij tegen The New York Times. Zij presteren toch wel. Maar de leerachterstand van de zwakkere broeders wordt erdoor bestendigd en hun gedrag en sociale ontwikkeling worden negatief beïnvloed door het stigma "bij de domkoppen te horen'. Slavin: ""Ik heb er geen moeite mee om kinderen zich tegen het einde van hun schooltijd te laten specialiseren, maar van groep één tot negen (kinderen tot ongeveer dertien jaar - sdj) moeten de leerdoelen hetzelfde zijn voor alle kinderen.'' Basisvorming, dus. Dat vindt ook Jeannie Oakes, onderwijskundige aan de University of California, die met haar boek Keeping Track: How Schools Structure Inequality vanuit egalitair idealisme een kruistocht is begonnen tegen "tracking' en "ability grouping'.

Slavin en de zijnen voeren vooralsnog de boventoon in het debat. De vereniging van gouverneurs, de National Governors Association, heeft zich uitgesproken tegen "tracking', evenals de National Education Association, die meent dat het systeem ""problemen schept voor veel studenten uit alle socio-economische en etnische groepen''. Voorstanders van "tracking' verweren zich met onderzoek waaruit blijkt dat hoogbegaafde leerlingen er wel degelijk bij gebaat zijn. John F. Feldhusen, directeur van het Gifted Education Resource Institute van de Purdue University meent bijvoorbeeld dat ""hoogbegaafde kinderen die niets dan het doorsnee-programma krijgen voorgeschoteld, zich doodvervelen en gedemotiveerd raken''.

De ouders zijn intussen sceptisch over het afschaffen van "ability grouping', vooral uiteraard diegenen met succesvolle kinderen op school. Onder druk van hun protesten - ouders van minderbegaafde leerlingen laten veel minder van zich horen - zijn nog maar weinig scholen van het systeem afgestapt. In The New York Times hekelt een moeder van een vierdeklasser het besluit van haar schoolbestuur om "tracking' te verruilen voor "cooperative learning', lesgeven in kleine groepen leerlingen van uiteenlopende kwaliteiten, die elkaar helpen. ""Wat het schoolbestuur daarmee bedoelt is dat mijn zoon een voorbeeld voor de anderen moet worden'', zegt ze. ""Ik vind dat veel te zwaar voor zo'n kind.''

"Detracking' dient zowel een politiek-sociaal als een onderwijskundig doel, zeggen de voorstanders. Het zou kunnen, natuurlijk - maar het is de vraag of veel ouders die proef op de som durven nemen met hun kinderen.