In VS is directe band met de kiezer verstevigd; De Amerikaanse kiezer is aanmerkelijk minder bereid dan de Europese om zijn geld door een verre overheid te laten besteden

“Now wait a minute”, riep Ross Perot uit toen zijn aanhang begon te joelen bij het nieuws van de overwinning van Bill Clinton. Hoe afwijkend het optreden van Perot ook was geweest in de verkiezingsstrijd, nu herinnerde hij zijn aanhang aan de Amerikaanse politieke traditie.

Het volk had gesproken en men diende zich nu zonder morren, als één man, achter de nieuwe president op te stellen. De traditie gaat terug tot de verkiezingsoverwinning van Thomas Jefferson in 1800. Toen waren voor het eerst de verkiezingen een krachtmeting geweest, niet tussen individuele kandidaten, maar tussen twee partijen. Het partijverschijnsel was nieuw en men had Jefferson er achterdochtig van beticht met zijn nieuwe partij-aanhang het jonge land te willen splijten. Jefferson maakte daar na zijn overwinning een onmiddellijk einde aan: met een verwijzing naar de twee partij-etiketten, bezwoer hij de kiezers dat “We are all Republicans, we are all Federalists”. Nu het volk had gesproken diende men weer de eenheid te beklemtonen.

Hoe krachtig zich ook vandaag de Amerikaanse politieke traditie laat gelden, toch zijn er in de recente verkiezingsstrijd allerlei dingen gebeurd die we nieuw kunnen noemen. Allereerst wat betreft de aard van de verkiezingsstrijd zelf. Het is over het algemeen het goedkoopst en het effectiefst om op de man te spelen, om de persoonlijkheid van de tegenstander te besmeuren. Deze vorm van negatief campagne voeren is niet van vandaag of gisteren. Ook in de vorige eeuw vloog de modder al overvloedig rond. De nette Republikeinen zijn daar evenmin als de meer volkse Democraten vies van. Het is tegen die achtergrond des te opvallender dat de opponenten van Bush - zowel Clinton als Perot - er keer op keer in slaagden het debat terug te brengen naar de "issues', naar zaken van politieke aard en inhoud. Dat lijkt erg voor de hand te liggen, zeker in een tijd dat zo grote delen van de bevolking zich zorgen maakten over de nationale economie. Het is al lang bekend dat een aantal simpele economische gegevens, zoals inflatie, werkgelegenheid, economische groei, de beste voorspelling opleveren van de verkiezingsuitslag. Staan de economische seinen op groen, dan is de kans groot dat de zittende president aan de macht blijft; staan zij op rood, dan heeft de oppositie de beste kans op de overwinning.

Toch volgt daar niet onmiddellijk een duidelijke beleidslijn voor de verkiezingsstrijd uit. Toen Mondale het in 1984 tegen het virtuoze illusionisme van Reagan moest opnemen, besloot hij de kiezer duidelijk te maken dat er voor het toenemende overheidstekort van de eerste vier Reagan-jaren maar één ding zou helpen: belastingverhoging. Het deed hem onmiddellijk de das om. De Amerikaanse kiezer is aanmerkelijk minder bereid dan de Europese om zijn geld door een verre overheid te laten besteden. Zijn wantrouwen tegen de politiek, tegen een overheidsbureaucratie, en meer in het algemeen tegen de staat als een instrument voor het verhelpen van maatschappelijke problemen, werd door Reagan, en later door Bush ("No new taxes'), bespeeld en gevoed.

Maar niettemin, nu twaalf jaar van dergelijk beleid gevolgen kregen die iedereen in zijn portemonnee ging voelen, was er ruimte voor Clinton - en Perot - om economische issues centraal te stellen. Alle argwaan jegens een ver en corrupt Washington dat ongedekte cheques uitschreef, wisten Clinton en Perot nu tegen de Republikeinen uit te spelen. Beiden presenteerden zich als de kandidaten die naar het volk wisten te luisteren. Clinton deed dat meesterlijk in het tweede televisie-debat tussen de kandidaten. Het was zijn voorstel geweest de vragen te laten stellen door een groep gewone kiezers. Toen kon blijken hoe groot de afkeer was van een campagnestijl van moddergooien en persoonlijke verdachtmakingen. Toen kon blijken hoe ver president Bush afstond van de zorgen van de doorsnee Amerikaan. Een eenvoudige vraag in hoeverre hij zelf aan den lijve de economische problemen van het land had ondergaan, begréép hij gewoonweg niet. Na afloop van het debat vroeg hij briesend aan zijn staf wie hem in zo'n parket had doen belanden.

Nieuw in deze campagne was dus de volgehouden en succesvolle poging van Clinton en Perot om zich op te werpen als de kandidaten die dichter bij het volk stonden dan Bush en beter voeling hadden met hun noden. Zij wisten de strijd steeds weer terug te brengen naar de issues (en dat was misschien voor Clinton maar beter ook).

Speciaal op het gebied van de media hebben zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die afwijken van de gevestigde praktijk. Onder de Amerikaanse bevolking heeft zich niet alleen een aversie tegen het politieke establishment ontwikkeld, maar evenzeer tegen de gevestigde nationale televisie-netwerken (de grote drie: ABC, CBS, NBC). Zij waren zich te zeer gaan gedragen als de aangewezen, gezaghebbende vertolkers van de problemen van de dag - als gewichtige babbelaars die voortdurend hinderlijk in beeld gingen staan. "Talking heads' werd de geringschattende benaming waarmee men deze tussenlaag van nationale meningsvorming ging afdoen. De afkeer onder de bevolking bleek uit de kijkcijfers: alleen al voor de verslaggeving in de verkiezingsnacht is een teruggang van het marktaandeel van de grote drie vast te stellen van 58,5 procent in 1968 naar 35,3 procent nu ten gunste van kabelmaatschappijen als CNN en C-SPAN. Ook in het gebruik dat Clinton en Perot van de massa-media maakten blijkt hun voorkeur voor vormen van contact die de tussenlaag van experts vermijden en zich meer direct tot de bevolking richten.

In de vroege fase van de voorverkiezingen was iemand als Jerry Brown, voormalig gouverneur van Californië, al met het idee gekomen van een speciaal telefoonnummer waar men zich met bedragen van niet meer dan honderd dollar als contribuant aan zijn campagne kon melden. Perot afficheerde zich nationaal als presidentskandidaat in de CNN talkshow van Larry King. Clinton speelde saxofoon bij Arsenio Hall en liet zich interviewen in ontbijtshows. Perot ging met zijn infomercials het verst in het gebruik van televisie als middelen zich direct tot de kiezers te richten. Hij kon dat doen omdat zijn persoonlijke fortuin hem toestond naar believen zendtijd te kopen.

Maar ook wildere ideeën van Perot, zoals een electronic townmeeting - een soort van interactieve televisie waarbij een politicus problemen voor directe besluitvorming aan de kiezers voorlegt - zijn ingegeven door de overweging de televisie uit handen te nemen van de "talking heads' en in direct verkeer te treden met de "headless ghost' (zoals de vroege Amerikaanse schrijver Washington Irving het grote anonieme kiezersvolk beschreef).

Amerikanen zijn er steeds op uit geweest een meer directe band met de kiezer te herstellen en voorbij te gaan aan alle lagen van tussenpersonen en belangengroepen die zich steeds weer vormden. Zij hebben daarvoor het referendum ingevoerd, het instrument van de voorverkiezingen bedacht, en bijvoorbeeld ook de "recall' als middel om teleurstellende volksvertegenwoordigers door de kiezers uit hun ambt te doen zetten. In een massa-democratie zoals wij die nu kennen, met de niet weg te denken plaats van de moderne massa-media, heeft het probleem van direct contact met de kiezer zich verlegd. Direct contact is vaak niet meer dan een illusie, ons voorgetoverd door de media. Clinton die handenschuddend door een menigte gaat, of Bush die op het achterbalkon van een trein langs juichende menigten rijdt, wekken pas op het televisie-journaal de illusie van een politicus die onder de mensen gaat. Toch is in het recente gebruik - door Clinton en Perot - van televisie wel degelijk de aanzet te herkennen tot vormen van meer direct contact met de kiezers. Clinton heeft beloofd open te zullen staan voor de wensen en verlangens onder de bevolking. Het is een van de beloften waar Amerikanen hem aan zullen houden.