In het donker

Met wat kruip- en breekwerk verschaffen we ons toegang tot de binnenste tunnel van een oude ringoven. Als we overeind komen sluit het gemetselde gewelf zich net boven ons hoofd, de stenen puistig van vroegere hitte. “Het geluid van je stem”, zegt Wouter, “kan de hele zaak laten instorten.”

Met zijn zaklantaarn zoekt hij in kieren en scheuren naar weggehangen vleermuizen. Hij houdt zijn vinger voor zijn lippen. Er zit, vrij van tocht en vocht, een dagpauwoog in winterslaap. Hij vouwt zijn vleugels open en sist zachtjes om ons af te schrikken.

De zaklantaarn gaat uit. We staan volledig in het duister. Volledige duisternis betekent een volledig verlies van diepte; zij ligt als een schilletje over je ogen en omvat tegelijkertijd de hele kosmos. Volledige duisternis is bovendien volledig roerloos. Wij staan stil en alles staat stil om ons heen. Of nee, ik moet toegeven: we halen adem. Onze ademhaling beweegt de lucht. Deze lucht is het bewegen volledig ontwend. Dat voel je, een minieme inbreuk op de duisternis.

Voorbij een bocht wordt de tunnel weer zichtbaar. Van één kant vallen op regelmatige afstanden boogvormige vlekken daglicht op de grond. Broos hecht zich een schaduw aan de wand.

In de poort aan het eind staat schril het blauw en groen van de buitenwereld.

We wachten even.