György Konrád: mensen laten zich niet meer betoveren; "Geen nationalisme in Hongarije'

BOEDAPEST, 19 NOV. “Csurka was een vriend van mij. We zagen elkaar wekelijks in een literair clubje. Maar dat is nu opgehouden. De politiek heeft Csurka geen goed gedaan.”

In de stem van György Konrád klinkt geen emotie als hij dat zegt, het is de berustende constatering van een feit. Sinds István Csurka, populair toneelschrijver en vice-voorzitter van de Hongaarse regeringspartij MDF, in augustus dit jaar zijn nationalistische programma openbaar maakte om de “echte Hongaren” hun stem in de politiek terug te geven, geldt de joods-Hongaarse schrijver Konrád, of hij dat wil of niet, als het morele plechtanker van de Hongaarse intelligentia.

Konrád leidde in september een door zo'n honderdduizend Hongaren bijgewoonde fakkeloptocht in Boedapest om te protesteren tegen een enkele dagen daarvoor door Csurka georganiseerde nationalistische bijeenkomst, waar 70.000 mensen kwamen opdagen. Hij deed dat samen met andere leden van de Bond der Vrije Democraten (SZDSZ), de grootste oppositiepartij van Hongarije, die 87 van de 386 zetels in het parlement heeft, maar in de opiniepeilingen op het ogenblik op verlies staat.

Konrád gelooft, voorzichtig formulerend, dat de Hongaren “banger zijn dan nodig is” voor het opkomende nationalisme. “De vrees zelf creëert het gevaar en geeft daar gewicht aan”, denkt de schrijver, die tijdens de lezingen die hij in het land houdt - in bibliotheken en gemeenschapshuizen in kleine plaatsen - niets merkt van een echt verontrustende nationalistische sfeer. “De mensen laten zich niet langer betoveren door nationalistische leuzen. Ze weten dat het eindstation daarvan de oorlog is.”

Konráds werk voor de Vrije Democraten - hij is lid van het partijpresidium, een soort parlement van de partij - ziet hij als een verlengstuk van zijn literaire arbeid. “Ik ben geen partijman, ik kan niet het leven van een politicus leiden. Als ik een redevoering houd is dat een literaire produktie, ik zal nooit iets schrijven waarom mij wordt gevraagd. Ik heb ook geen steun nodig, ik vertegenwoordig niemand anders dan mijzelf. Maar ik ontdek in mijzelf wel de kwaliteit van een leraar en ik probeer de vragen die me worden gesteld zo goed mogelijk te beantwoorden.”

Van het partijcongres van de MDF dat in januari volgend jaar een keuze zal moeten maken tussen de gematigde voorzitter, premier József Antall, en de nationalist Csurka verwacht Konrád, ook na de steeds hoger oplopende ruzie tussen de twee van de afgelopen dagen, eerder dat er een compromis zal worden gesloten dan dat Csurka partijvoorzitter wordt. “Er zijn nu eenmaal veel afgevaardigden die meezwemmen met de stroom en onder de bevolking heeft Csurka misschien de steun van negen procent”, denkt Konrád.

De Vrije Democraten, die juist vorige week een nieuwe voorzitter hebben gekozen, de economisch historicus Ivan Petö, die de partij nieuw elan moet geven op weg naar de verkiezingen in 1994, volgen de ontwikkelingen in de regeringspartij intussen met belangstelling. Zou het tot een scheuring komen dan is niet uitgesloten dat de liberale vleugel binnen de MDF aansluiting zoekt bij de Vrije Democraten. In dat geval kan een totale verschuiving gaan optreden in het Hongaarse politieke landschap.

Konrád: “Het grote probleem in de huidige Hongaarse maatschappij is dat het zo moeilijk is de mensen, vooral de jongeren, te enthousiasmeren voor de Westerse waarden. Er is een algemeen verlies van zelfrespect, doordat de arbeid is gedevalueerd, het fortuin van het land niets waard blijkt te zijn, grote ondernemingen voor belachelijke prijzen van de hand gaan. Veel mensen hebben het gevoel dat hun leven voor niets is geweest, dat hun verleden is gestolen. Er is geen accumulatie van bezittingen of zelfs maar van waarden. Veel mensen zijn pessimistisch, omdat ze machteloos zijn, ze zijn wanhopig, omdat ze zijn geschokt in hun identiteit. In dat vacuüm zoeken ze naar een solide zelfdefinitie. Het Hongaar-zijn is dan nog het enige waaraan ze zich kunnen vastklampen.”

Maar die vlucht naar het nationalisme is volgens Konrád een voorbijgaand verschijnsel. “Met het toenemen van de welvaart komt ook de verburgerlijking en dan zal het individualisme groeien.”

Voor de politiek die de regering moet voeren tegen groeiend nationalisme, antisemitisme en minderhedenhaat zal volgens Konrád veel “therapeutische wijsheid” nodig zijn. Een anti-nationalistische politiek zou averechts werken: “Er moet een positieve en niet-agressieve strategie worden gevonden die geen tegenstellingen oproept. Dat is niet eenvoudig. Maar veel Westeuropese landen hebben ook een soort verlicht nationalisme. Er zijn technieken om conflicten te voorkomen. Eerbiediging van mensenrechten moet prioriteit hebben. Verbale escalatie moet worden vermeden, er moet gezocht worden naar een objectieve, bemiddelende houding. Hongarije heeft wat dat betreft een traditie hoog te houden. Al in 1820 zijn allerlei culturele organisaties van de minderheden, de Slowaken, de Serven en de Roemenen in Boedapest opgericht.”

De waarschuwing van sommige Hongaren dat het land, net als tijdens het interbellum, weer afglijdt naar een situatie van opkomend nationalisme en antisemitisme, acht Konrád wat overdreven. Mensen die zich op het standpunt stellen dat het vooroorlogse verleden beter is dan het heden nemen volgens Konrád een “verliezershouding” aan. Er is nu, anders dan tussen de twee wereldoorlogen, immers geen grote mogendheid die een dergelijke stroming ondersteunt. “Nu is er maar één Westen”, meent Konrád, die daar voorzichtigheidshalve, enigszins wrang lachend, “hopelijk” aan toevoegt.