Geesteskind Dekker vindt weerklank bij bedrijven

Het Innovatiecentrum speelt sinds 1988 een belangrijke rol in de technologie-overdracht tussen kenniscentra en midden- en kleinbedrijf. Volgend jaar worden de achttien Innovatiecentra verzelfstandigd. Dat moet hun functioneren verder verbeteren.

De boerenkool van de firma KTK uit Haaksbergen smaakt net even anders dan gewone boerenkool. KTK haalt de bladeren van de stronken en verwijdert de stelen, waardoor de groente langer vers blijft en de smaak bovendien aanzienlijk verbetert.

De handmatige scheiding van bladeren en stelen is echter tijdrovend en kostbaar. KTK-directeur B. Kleinburink bedacht dat een machine hier uitkomst zou kunnen bieden. Maar "boerenkoolstripmachines' bleken niet te bestaan, zomin als octrooien op basis waarvan ze zouden kunnen worden ontwikkeld.

Kleinburink wendde zich tot het Innovatiecentrum Overijssel, dat voor KTK weer contact legde met ingenieursbureau Stevens & Van Vreeland. Samen onderzochten ze hoe bloemstelen werden gestript en hoe de nerf uit tabaksbladeren werd verwijderd. Geen van de daarbij gebruikte technieken leek echter bruikbaar voor boerenkool. Dus gingen de partijen zelf maar aan de slag. En na een half jaar was een prototype gereed dat aan alle verwachtingen voldeed. Inmiddels heeft KTK twee boerenkoolstripmachines in de fabriek staan, een uitkomst bij de groeiende vraag naar bladboerenkool. “Zonder de steun van het Innovatiecentrum zouden we het strippen nog steeds met de hand hebben gedaan”, zegt een tevreden Kleinburink.

Dat succes kan het Innovatiecentrum in zijn zak steken. En het is niet het enige. Vier jaar geleden in het leven geroepen door Economische Zaken, blijkt het netwerk van achttien Innovatiecentra in een behoefte te voorzien. Deze adviesinstellingen richten zich op de overdracht van technische kennis en ervaring aan het midden- en kleinbedrijf en helpen ondernemers bij de ontwikkeling van nieuwe produkten en produktiemethoden. De centra worden gefinancierd door EZ en kunnen in grote autonomie optreden.

De aanzet tot de Innovatiecentra werd gegeven door de Commissie-Dekker in het rapport "Wissel tussen kennis en markt' uit 1988. Daarin constateerde ze dat veel technologische kennis onvoldoende haar weg vond naar praktische toepassing in het bedrijfsleven. De commissie meende dat de technologie-overdracht, nodig om produkt-, proces- en dienstontwikkeling in ondernemingen op een hoger niveau te brengen, aanzienlijk beter kon. Een nieuw netwerk tussen bedrijven en centra van kennis zou daarin een rol kunnen spelen.

Het eerste Innovatiecentrum ging nog in december 1988 open, het achttiende in november 1989. Na hun introductie behoefden de Innovatiecentra aanvankelijk enige promotie, maar inmiddels weet het midden- en kleinbedrijf ze te vinden. Vorig jaar dienden de centra meer dan zevenduizend bedrijven van advies, op een veelheid van terreinen.

Zo ontwikkelde het landbouwmechanisatiebedrijf Weevers uit Swifterbant met het Innovatiecentrum Flevoland een wiedmachine die met behulp van ultrasone sensoren het onkruid tussen bietenplantjes wegschoffelt. Het Innovatiecentrum Zeeland stond aan de wieg van het nieuwe biermerk Zeeuwsche Witte. Het Innovatiecentrum Oost-Brabant was betrokken bij de technische ontwikkeling van de brushcleaner van Europresent uit Vught: een handzaam apparaat dat haarlak en huidschilfers uit haarborstels verwijdert. Een grote Italiaanse verkooporganisatie heeft het idee gekocht en denkt alleen al in Europa 20.000 brushcleaners te kunnen slijten.

De Innovatiecentra zijn overigens niet alleen betrokken bij produktontwikkeling. Bunnies BV te Kaatsheuvel, dat kinderschoenen van een "trekelement' in de hielpartij voorzag - waardoor het schoeisel aan de snel groeiende kindervoet kan worden aangepast - kreeg bij voorbeeld hulp van het Innovatiecentrum West- en Midden-Brabant bij onderzoek naar de octrooieerbaarheid van de nieuwe schoen.

Het Nederlandse netwerk van Innovatiecentra is uniek in de wereld; alleen in Denemarken bestaat een enigszins vergelijkbare organisatie. In Engeland wordt de oprichting van de zogeheten Faraday Centres overwogen, die hetzelfde oogmerk hebben.

Pag.20: Makelaar in kennis voor kleinere ondernemingen; De aansluiting van Innovatiecentra op bepaalde branches laat wel eens te wensen over'

Naast de achttien geografisch over Nederland gespreide innovatiecentra maken ook een kantoor in Curaçao en twee gespecialiseerde instellingen deel uit van het netwerk dat ressorteert onder het Centraal Kantoor Innovatiecentra Nederland (ICN) te Den Haag. Die twee zijn het Specialistisch Innovatiecentrum voor Uitvindingen ID-NL in Rotterdam en het Centrum voor Kennisbescherming en Octrooi-Informatie (CKO) in Rijswijk. Beide hebben vooral met uitvindingen te maken.

ID-NL begeleidt bedrijven en particulieren die een nieuw produkt hebben ontwikkeld. Het bekijkt of het produkt kans van slagen op de markt heeft en of er voor de uitvinder een zakelijke partner kan worden gevonden. Omgekeerd legt ID-NL technische problemen van bedrijven voor aan creatieve uitvinders.

CKO heeft als taak ondernemers in het midden- en kleinbedrijf te doordringen van het belang van octrooien; als bescherming voor hun eigen vindingen, maar ook - via registers en octrooiliteratuur - als bron van informatie over de ontwikkelingen bij de internationale concurrentie.

De overige centra zijn alle gelijk van opzet. Als er al verschillen zijn, hangt dat samen met de aard van de economische bedrijvigheid in de regio. Zo heeft het Innovatiecentrum Den Haag zich verdiept in de automatiseringsmogelijkheden van de glastuinbouw en is het Innovatiecentrum Zuid Holland-Zuid in Dordrecht vooral actief op het gebied van de binnenvaart.

Weer andere Innovatiecentra onderscheiden zich door een bijzondere dienstverlening. Het Innovatiecentrum Noord- en Midden-Limburg kan bij voorbeeld met de Information Retrieval Service van het Europese Ruimtevaart Agentschap (ESA) een directe computerverbinding met de belangrijkste wetenschappelijke databanken in de wereld aanbieden. Het Arnhemse centrum voor Midden- en Zuid-Gelderland heeft een Innovatiesteunpunt Materiaaltechnologie opgezet, waar ondernemers terecht kunnen met vragen over materiaalkeuze.

In het algemeen zijn de adviezen gratis. Het ministerie van economische zaken vergoedt de kosten van maximaal zestien uur advisering. Alleen voor aanvullend advies wordt een "marktconform tarief' in rekening gebracht.

“De Innovatiecentra doen goed werk”, zegt H. Sterk, secretaris technologiebeleid van de werkgeversorganisatie KNOV, waarbij veel ondernemingen uit midden- en kleinbedrijf zijn aangesloten. Het enige punt van kritiek dat hij noemt, is dat ze zich “erg breed moeten oriënteren. Daardoor laat de aansluiting op bepaalde branches wel eens te wensen over. Maar dat kun je de Innovatiecentra niet echt kwalijk nemen.” Om die reden is het KNOV dan ook voorstander van technologie-voorlichtingscentra voor specifieke bedrijfstakken. EZ stelde hiervoor onlangs 5 miljoen gulden beschikbaar aan brancheorganisaties.

In zekere zin vormen de Innovatiecentra de opvolger van de Rijksnijverheidsdienst - formeel nog intact en de feitelijke werkgever van de 196 medewerkers van de centra - maar doelgroepen en taakstelling zijn verbreed. De Rijksnijverheidsdienst was, aldus een woordvoerder van Economische Zaken in eerste en laatste instantie industrie-geöriënteerd. Op basis van ervaringen binnen het ene bedrijf konden RND-functionarissen een ander bedrijf weer helpen. Van nuttige kennis van universiteiten en onderzoeksinstellingen werd echter niet of nauwelijks gebruikgemaakt. Hun bemiddelingsbureaus of "transferpunten' zouden te ver van het bedrijfsleven afstaan en de RND legde de verbinding onvoldoende.

Nu worden ook bedrijfstakken als bouw, handel en dienstverlening ondersteund, en profileren de Innovatiecentra zich als dè bemiddelaar tussen het midden- en kleinbedrijf en de vele onderzoeksinstellingen die Nederland kent. Alleen op die manier is kennis, aldus directeur C.J.M. Geenen van het Centraal Kantoor ICN “op het juiste moment in de gewenste kwaliteit op de juiste plaats aanwezig”.

Dat betekent niet dat volledig gebroken is met de werkwijze van de RND. De nauwe samenwerking die deze dienst had met allerlei branche-organisaties wordt nog steeds gekoesterd, maar ze is verrijkt door bij voorbeeld aan technische universiteiten gelieerde instellingen als de Centra voor Micro-elektronica (CME).

Het is overigens niet zo dat nu alle technologievoorlichting richting bedrijfsleven per definitie via de Innovatiecentra loopt. In opdracht van de overheid zal het instituut voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) het Nederlandse bedrijfsleven de komende jaren voorlichten over de mogelijkheden van milieubiotechnologie. Maar dit project richt zich dan ook niet alleen op midden- en kleinbedrijf.

Over het nut en de noodzaak van de Innovatiecentra valt bij directeur Geenen geen enkele twijfel te bespeuren: die is groot. Een markt die voortdurend nieuwe en hogere eisen stelt aan produkten en produktieprocessen heeft ondernemingen nodig die alert zijn op mogelijkheden tot innovatie. Maar zeker kleinere ondernemingen ontbreekt het aan tijd, geld en mankracht om op de hoogte te blijven van alle ontwikkelingen. En daar kan het Innovatiecentrum een cruciale rol spelen.

Geenen, van Philips afkomstig, wijst in dit verband op de zogeheten technologieplatforms die door de centra zijn opgezet. Die platforms - waar technici van onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven elkaar treffen - verzamelen zoveel mogelijk kennis van bij voorbeeld nieuwe materialen, mechatronica (de combinatie van mechanica en micro-elektronika) of milieutechnologie.

De bereidheid van bedrijven om te vernieuwen hangt volgens Geenen nauw samen met het "technologisch draagvlak' binnen ondernemingen. Niet alle innovaties komen van de grond, vaak omdat het in sommige geledingen aan steun daarvoor ontbreekt. Daarom besteden de Innovatiecentra relatief veel aandacht aan "effectieve kennislogistiek' - methoden om het gebruik van vernieuwende kennis te integreren in alle lagen van het bedrijf. Via de regionale centra wordt door Coopers & Lybrand Management Consultants ontwikkelde software verspreid die de effecten van innovatie op allerlei afdelingen belicht. En het Innovatiecentrum Friesland begon vorig jaar een leergang voor bedrijfsdirecteuren, gericht op strategiebepaling en innovatiemanagement.

De bemoeienissen van de Innovatiecentra richten zich niet alleen op het bedrijfsleven. Geenen: “Een belangrijk voordeel van het ICN is dat we kunnen rapporteren aan de overheid en kunnen aangeven op welke punten het nationale technologiebeleid zou kunnen worden bijgesteld.”

Behalve technische hulp verleent het ICN ondernemingen ook ondersteuning bij het zoeken naar financiers. De uitgaven aan innovatie kunnen immers hoog uitvallen. Uit onderzoek van het Economische Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) in Zoetermeer bleek vorig jaar dat projectkosten kunnen oplopen tot boven het miljoen gulden. Het leeuwedeel van de uitgaven betreft de technische ontwikkeling van produkten, maar daar houdt het zelden op. Gemiddeld slokken marktintroducties dertien procent van het budget op, marktonderzoek vijf procent en het aanvragen van octrooien vier procent. Nog eens twaalf procent wordt uitgegeven om het produktie-apparaat aan te passen.

In de praktijk blijkt dat het midden- en kleinbedrijf veel meer moeite heeft om geld voor innovatieve projecten te vinden dan grote ondernemingen, die beter thuis zijn in de financiële en subsidiewereld en vaak kunnen terugvallen op een gevestigde reputatie en een groter leenvermogen.

Subsidies voor technologische ontwikkelingen liggen in Nederland over het algemeen beduidend lager dan in omringende landen. Gemiddeld wordt 44 procent van de ontwikkelingen gefinancierd met externe middelen (leningen, subsidies), waarvan de helft uit overheidsregelingen als het technisch ontwikkelingskrediet (TOK) en de programmatische bedrijfsgerichte technologiestimulering (PBTS). Hoewel deze regelingen voor flinke bedragen op de begroting staan - per fonds gaat het om enkele honderden miljoenen guldens - gaat dit geld voornamelijk naar bedrijven met meer dan 200 werknemers.

Uit het EIM-onderzoek naar de financiering van produktie-innovatie bij ondernemingen met minder dan honderd werknemers bleek dat het grootste deel van de bedrijven de ontwikkeling met eigen geld financiert. Banken financieren in de vorm van een rekening-courantkrediet gemiddeld 17 procent van het innovatieproces; slechts 4 procent wordt gefinancierd met bancaire leningen (waarvoor bepaalde garanties noodzakelijk zijn).

Volgens Geenen ontbreekt het in Nederland aan kapitaal om innovatieve projecten mee op gang te helpen. De grotere bedrijven kunnen voor steun nog relatief gemakkelijk terecht bij de overheid, maar het midden- en kleinbedrijf dreigt nogal eens te worden vergeten. En voor een gezonde industriële structuur is de kwaliteit van deze categorieën - en dus de inzet van de Innovatiecentra - ook van belang.

Al bij de start van het ICN werd afgesproken dat de Innovatiecentra na verloop van tijd zouden worden verzelfstandigd. Straks wordt de Rijksnijverheidsdienst opgeheven en zal de Stichting Innovatiecentrum Netwerk Nederland (ICNN) als werkgever optreden. De voorbereidingen van deze operatie, die volgend jaar haar beslag moet krijgen, zijn inmiddels in volle gang. Met de overheid wordt overleg gevoerd over zaken als inkomstengaranties en bestuur.

Missie en werkwijze van de Innovatiecentra zullen niet wezenlijk veranderen als de nieuwe organisatie een feit is. Wel denkt Geenen dat de verzelfstandiging het functioneren van de centra kan verbeteren door effectievere besluitvorming en een meer marktgericht personeelsbeleid. “Formeel zijn we nog ambtenaren”, zegt Geenen. “In de toekomst kunnen we meer de taal van de ondernemer gaan spreken.”

"Commercialisering' van het ICN wordt niet beoogd. Het ministerie van economische zaken blijft de kosten van de organisatie dragen, ruim 40 miljoen gulden per jaar. Als de centra hun kosten zouden doorberekenen aan hun doelgroep, begeven zij zich op het terrein van de commerciële dienstverlening en dat wil het ICN niet. Het wil met iederen kunnen samenwerken, met niemand concurreren. Evenmin zal het vergoedingen voor bemiddeling vragen van onderzoeksinstellingen als TNO, want dat zou de onpartijdigheid kunnen schaden. Aan ICN's functie als onafhankelijk intermediair mag geen afbreuk worden gedaan, aldus Geenen: “Ondernemers moeten ons kunnen vertrouwen.”