Geen schijn van kans op einde barbarij

De toeristen zijn terug in Colombo. De hotels die tijdens de reisexplosie, begin jaren '80, zijn gebouwd en tien zeer schrale jaren hebben doorgemaakt, zijn nu meer dan half vol.

De met het toerisme samenhangende takken van nijverheid gaat het zichtbaar beter: de reisbureaus en batik-boetieks zijn weer open en ook de prostituées en haar "beschermers' etaleren openlijk hun koopwaar. Cynici, en dat zijn er veel in Colombo, zeggen dat de 8% economische groei waarover de regering zo hoog opgeeft, in sterke mate wordt bereikt door de verkoop van mensenlichamen - baby's die ter adoptie aan onvruchtbare Amerikanen en Europeanen worden verkocht, jonge lichamen verkocht aan homoseksuelen, die veelal uit Duitsland schijnen te komen, en de brigades meisjes die worden gemobiliseerd voor huishoudelijke dienst in oliesjeikdommen, waarheen ze inmiddels terugkeren van hun traumatische exodus na de inval van Saddam in Koeweit.

In werkelijkheid betekent die 8% dat het vertrouwen in de stabiliteit en veiligheid van Sri Lanka als vakantie- en investeringsland tot op zekere hoogte is hersteld, nu de zittende regering erin is geslaagd de zuidelijke rebellenbeweging die het land twee jaar geleden vrijwel lam had gelegd, te onthoofden. (Tussen haakjes, gehoorzamend aan een gril van Singalese pandits wil de regering de naam van het land nu gespeld hebben als Shri Lanka). Er doet zich een enorme hoeveelheid economische activiteit op microschaal voor. Iedereen die een vak beheerst of een stukje land heeft om te bebouwen met gewassen of steen werkt zich zo te zien in het zweet. De armsten zijn nog steeds arm, maar de regering heeft nog altijd vertrouwen in janasaviya, haar armoede-bestrijdingsprogramma, dat bij mij goed staat aangeschreven als het eerste ontwikkelingsprogramma ter wereld dat de mensen zelf de verantwoordelijkheid voor en zeggenschap over hun ontwikkeling laat.

President Premadasa is de krachtbron achter al deze koortsachtige activiteit. Hij lijkt onvermoeibaar: staat om vier uur op, verricht zijn meditaties en gymnastiekoefeningen, en hangt om vijf uur of eerder bij zijn medewerkers aan de telefoon. Hij werkt zestien tot achttien uur per dag. Als we zijn werk- en reistempo afmeten aan het aantal foto's van hem in de Ceylon Daily News (gemiddeld acht per dag) waarop hij een festival bijwoont, een kledingfabriek opent of een politieke meeting toespreekt, dan lijkt het erop dat president Clinton een stoomcursus tijdsindeling zou moeten volgen bij president Premadasa. Helaas lijken degenen die voor al die krantefoto's verantwoordelijk zijn niet te beseffen dat excessen op den duur altijd averechts werken.

Maar hoe dat ook zij, en hoe bruisend de economische opleving ook is, president Premadasa kampt met een menigte ontzagwekkende problemen in het land dat hij puur met zijn persoonlijke energie vooruit probeert te duwen. Ik zal slechts enkele van de weerbarstigste noemen: ten eerste krijgt hij op geen stukken na de medewerking van zijn ministers die hij verdient. Op twee of drie uitzonderingen na zijn ze beter te omschrijven als knechten dan als beleidsmakers of bestuurders. En Premadasa heeft genoeg ervaring in de politiek om te weten dat knechten nooit anders doen dan "Ja baas' zeggen en zich ongezien maken als het slecht gaat. Bangelijke helpers en stroopsmeerders zijn kwalijker dan tegenstanders met een grote mond.

Ten tweede legt hij grote nadruk op zijn plannen voor exportbevordering, maar het lijkt alsof niemand in zijn regering zich bezighoudt met marktonderzoek in het buitenland en het sluiten van transacties die recht doen aan alle energieke bedrijvigheid in eigen land.

Je kunt lang praten over de vraag of president Clinton of premier Major al dan niet de Srilankaanse export willen bevoordelen, maar wat ontbreekt is het nuchtere besef dat handelspolitiek wordt bedreven op de markt, door kopers en verkopers, in bars en directiekamers en niet in regeringsvertrekken. Ook zou men zich moeten realiseren dat de bevliegingen van de markt kortstondiger en grilliger zijn dan de hartstochten van een puber.

En ten derde is er natuurlijk nog het verre kanongebulder aan de oostkust, echo's van wat men eindelijk bij zijn ware naam begint te noemen: de burgeroorlog. De alles overheersende vraag is of er enigerlei duurzame oplossing voor het bloedige conflict tussen de Singalezen en de Tamil-afscheidingsbeweging in zicht is, of zich desnoods dicht achter de horizon bevindt. President Premadasa blijft zich vastklampen aan de hoop dat een politieke oplossing toch nog bereikbaar is via zijn formule van "overleg, compromis en consensus'. Opeens lijkt menigeen tot het inzicht te komen dat een definitieve militaire overwinning van regeringstroepen op de Tamil Tigers even onwaarschijnlijk is als de eindoverwinning op de Viet-Cong waarnaar de Amerikanen streefden. Een strijd tegen een guerrilla-leger van onvoorwaardelijk toegewijde mannen en vrouwen die voor hun streven - in dit geval een eigen "natie' - hun leven willen geven in een politieke heilige oorlog, loopt doorgaans op niets uit, tenzij over de kwestie zelf wordt onderhandeld. En de kwestie is van meet af aan geweest dat de leider van de Tamil Tigers, Prabhakaran, en de zijnen lang geleden hebben besloten een onafhankelijke staat op het eiland te eisen, die niet alleen hun woongebied zou omvatten, het schiereiland Jaffna, maar ook de noordoostelijke en oostelijke provincie waar niet alleen Tamils wonen maar ook, en in ongeveer gelijke aantallen, moslims en Singalezen.

Deze laatsten voelen hoegenaamd niets voor een regeling waarbij hun provincies bij een onafhankelijk Tamil Eelam zouden gaan horen - een staat geregeerd door de Tamil Tigers - helemaal sinds ze hebben gezien hoe meedogenloos de Tigers andere Tamil-groeperingen hebben uitgeschakeld die twee jaar geleden na verkiezingen het bestuur over de noordelijke en noordoostelijke provincies hadden verkregen.

Dat is het hoofdprobleem van Premadasa en zijn regering. Een militaire oplossing is moeilijk te realiseren en de strijd wordt steeds zwaarder doordat het geregelde leger slecht is toegerust voor een guerrilla. Een vreedzame regeling is echter even problematisch omdat de Tigers weigeren ook maar iets te laten vallen van hun aanspraken op grondgebied dat al sinds generaties door andere ethische groeperingen wordt bewoond. En daarnaast houden ze rigoureus vast aan hun eis dat de twee provincies worden samengevoegd. Omdat de Srilankaanse regering steunt op een in meerderheid Singalese achterban, zou het politieke zelfmoord zijn als ze die eis van de Tamil Tigers zou inwilligen.

Het belangrijkste lichtpunt in dit complex van problemen is dat de Indiase regering geen tijger-spelletjes meer speelt zoals vroeger mevrouw Gandhi en een enkele keer haar zoon Rajiv wanneer ze, om de Tamils in Zuid-India te vriend te houden, inspeelden op hun gevoelens van etnische verbondenheid met het streven van de Srilankaanse Tigers. Toch, ondanks vele openlijke protesten en officiële ontkenningen bestaat er nog altijd in zowel de overheidssfeer als de particuliere sector een nauw militair en politiek samenspel tussen de Tigers en Zuid-India, waar zij wijkplaatsen hebben om zich te hergroeperen en te herbewapenen. En zo duurt de slachting voort, en is er nog altijd geen schijn van kans op een eind aan de barbarij.