Gebruik van misdaadcijfers controversieel

AMSTERDAM, 19 NOV. “Manipulatie met gegevens die zouden kunnen wijzen op een sterke stijging van de criminaliteit zijn een kernachtig wapen in handen van politici die streven naar een sterke staat. Kern van het probleem is dat criminaliteitscijfers geen exacte gegevens zijn, maar zeer ontvankelijk voor beïnvloeding”. Deze kanttekening plaatste dr. G.P. van den Berg van het Leidse centrum voor Oosteuropees recht twee jaar geleden bij berichten over een "criminaliteitsgolf' in de toenmalige Sovjet-Unie.

Ook in onze, wat rustiger, contreien is de misdaadstatistiek geen rustig bezit, getuige de opwinding die eveneens in 1990 ontstond over de resultaten van een internationale slachtofferenquête. Daaruit kwam Nederland - geheel in strijd met het nationale zelfbeeld van een relatieve rustige uithoek in een woelige wereld - naar voren als het land met de hoogste criminaliteitscijfers van West-Europa. “Een losgeslagen land”, zoals de criminoloog die voor ons land in het onderzoek participeerde, dr. J.J.M. van Dijk, het voor een radiomicrofoon samenvatte. Wie sprak hier echter: de top-ambtenaar Van Dijk (directeur criminaliteitspreventie van het ministerie van justitie) of de wetenschapper Van Dijk (thans deeltijd-hoogleraar criminologie in Leiden)?

De kritiek op de enquête - waarvan Van Dijk gisteren een tweede ronde presenteerde - liet in elk geval niet lang op zich wachten en betrof niet alleen de conclusies, maar ook de kwaliteit van de uitkomsten. Nu laat van Dijk zich er juist op voorstaan dat de slachtofferenquête als meetinstrument verreweg superieur is aan bijvoorbeeld politiestatistieken, die immers alleen de officieel gemelde criminaliteit registreren. Hoe dichter bij de bedreigde burger des te realistischer is het beeld. Toch blijft het oppassen, al was het alleen omdat de onderzoeker natuurlijk nooit het waarheidsgehalte van de mededelingen kan controleren. Zeker niet wanneer de enquête per telefoon gaat, een methode die volgens sommige onderzoekers op zichzelf overigens al selectief kan uitpakken, zeker internationaal.

Na bestudering van het rapport uit 1990 noemden de universitaire onderzoekers G.J.N. Bruinsma (Limburg), prof. H.G. van de Bunt (VU) en J.P.S. Fiselier (Nijmegen) in het Tijdschrift voor criminologie “de kwaliteit van de criminaliteitsmetingen ontoereikend”. Op deze basis viel volgens hen niet vast te stellen of het niveau van de Nederlandse criminaliteit inderdaad dat in andere Europese landen overtreft. Het is trouwens de vraag òf dat ooit valt vast te stellen. “Er bestaat niet zoiets als een nationaal criminaliteitscijfer”, zoals de rechtssocioloog dr. J. Horn het heeft uitgedrukt. Hij is een naaste collega van Van Dijk op het gebied van de departementale criminaliteitspreventie. Horn: “Het veiligheidsbeeld is iets anders dan de objectieve slachtofferkans. Het is bij wijze van spreken aanzienlijk veiliger 's nachts door de binnenstad van Amsterdam te lopen, dan des ochtends in de herfst of winter met 120 kilometer langs de snelweg te jakkeren.” Omgekeerd waarschuwde staatssecretaris Kosto (justitie) echter “dat gevoelens van onveiligheid soms misleidend zijn. Eén voorbeeld: een groot en druk bezocht station werd door een aantal personen onveiliger genoemd dan het hoofdstation in een kleinere gemeente. Uit de aangiftecijfers bleek echter het tegendeel.”

Behalve verschil van mening over de vraag wàt de slachtofferenquêteur nu precies meet, is het gebruik van de onderzoeksresultaten controversieel. De drie criminologen verweten Van Dijk in 1990 “in de media een sfeer te hebben gecreëerd waarin het bekritiseren van zijn onderzoek gelijk staat met het bagatelliseren van de ernst van de criminaliteit in ons land. Ook de verantwoordelijke bewindslieden konden zich in het openbaar moeilijk van hun topambtenaar distantiëren”. Dit laatste lijkt overigens minder een kwestie van kunnen dan van willen. Minister Hirsch Ballin (justitie) was er in 1990 als de kippen bij om, op een CDA-conferentie over veelvoorkomende criminaliteit, de onderzoeksresultaten te annexeren: “De conclusie dat Nederland met bijzonder grote criminaliteitsproblemen kampt, lijkt mij onontkoombaar. Wie deze conclusie probeert weg te praten, maakt zich in mijn ogen schulig aan criminologische struisvogelpolitiek.”

Op een congres over veiligheidszorg probeerde staatssecretaris Kosto nog wel een relativering aan te brengen: “Blijkens de cijfers is het in Nederland even onveilig - of veilig - als in landen als Engeland en West-Duitsland.” In een vakblad herinnerden twee Groningse criminologen er aan dat de kans om door een geweldsmisdrijf om het leven te komen in België tweeëneenhalf maal zo groot was als in het "losgeslagen' Nederland. Maar de officiële lijn zoals verkondigd door de minister van justitie is de lijn-Van Dijk: “wij zijn gegroeid naar een situatie waarin Nederland, Europees vergeleken, een verontrustend hoog criminaliteitsniveau heeft” (begrotingsdebat 1991).

Het kaliber van dergelijke analyses is van meer dan academisch belang, want zij dienen primair de keuze van de therapie. Een voorbeeld: op een congres over alternatieve straffen in Rotterdam vroeg de Groningse hoogleraar penologie Tulkens vorig jaar aandacht voor de opmerkelijke uitschieter die de groei van het Nederlandse gevangeniswezen te zien geeft. De criminaliteit nam het afgelopen decennium toe met 30 procent, er werd 100 procent meer celstraf opgelegd, maar het gevangeniswezen groeide met 150 procent - en het eind is nog steeds niet in zicht. De celgroei - die ten koste gaat van het humane karakter van het Nederlandse strafbestel - is volgens Tulkens met andere woorden slechts gedeeltelijk te verklaren uit stijgende criminaliteitscijfers. De diagnoses van Van Dijk kunnen aardig helpen zo'n gat te vullen.