FOTOMONTAGES BRUIKBAAR VOOR IEDERE MODERNIST; Een in stukken gehakte wereld

Tentoonstelling Montage And Modern Life: 1919-1942. T/m 2 jan. Paleis voor Schone Kunsten, Koningstraat 10, Brussel. Di t/m zo 10-16u45, eerste kerstdag gesloten. Catalogus (Engelstalig) BFR 950,-.

In het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten was Stalin al in verschillende gedaanten te zien op de tentoonstelling van socialistisch-realistische schilderkunst. En nu grijnst hij ons ook nog eens in de andere zalen van hetzelfde paleis toe vanaf affiches die deel uitmaken van de tentoonstelling "Montage and Modern Life: 1919-1942'. Toch is de laatstgenoemde expositie, die is overgenomen van The Institute of Contemporary Art in Boston, niet bedoeld als uitbreiding van de eerstgenoemde, maar juist als tegenhanger. Tonen de socialistisch-realistische schilderijen vooral gelukkige mensen en hun leiders in een harmonieuze omgeving, de fotomontages laten een wereld zien die in stukken is gehakt en weer tot een niet-realistisch geheel is samengevoegd. De schilderijen zijn traditioneel en ouderwets, de fotomontages "fragmentarisch' en modernistisch, dat is de boodschap.

Ondanks de 400 affiches, boekomslagen, brochures, tijdschrift- en krantepagina's, advertenties en zelfstandige kunstwerken pretendeert Montage and Modern Life niet een overzicht te geven van het gebruik van fotomontage in het interbellum. Aan de in Boston al geselecteerde montages uit de Sovjet-Unie, Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten zijn in Brussel nog wel een paar Belgische toegevoegd, maar landen als Italië en Tsjechoslowakije zijn helemaal niet vertegenwoordigd. Ook van Berlijnse dadaïsten als Georg Grosz en Hannah Höch, die toch beweerden het woord "fotomontage' te hebben uitgevonden, hangt weinig werk. Van John Heartfield, pseudoniem voor Helmut Herzfeld, zijn wel veel montages te zien, maar die dateren uit de jaren dertig, toen hij zijn beroemde anti-nazistische omslagen voor het tijdschrift Arbeiter Illustrierte Zeitung maakte. Goestav Kloetsis, de Sovjetmonteur van talloze affiches en krantepagina's die ook beweerde dat hij de fotomontage had uitgevonden, is het best vertegenwoordigd. Hij is de hoofdpersoon van de tentoonstelling: zijn werk maakt deel uit van alle negen afdelingen met typisch modernistische thema's als "De versnelling: de moderne industriële assemblage', "Snel vervoer/een globale visie' en "De nieuwe vrouw en de rationalisatie van het dagelijks leven'.

Voor een deel bevestigt de tentoonstelling wat al bekend was: in Europa werd fotomontage veelvuldig gebruikt door modernisten als Paul Schuitema, Piet Zwart, Herbert Bayer, Aleksandr Rodtsjenko en El Lissitzky, maar in de Verenigde Staten, het land dat door velen juist als het modernst werd beschouwd, was het knippen en plakken van foto's niet populair onder grafische vormgevers. In de slecht gedrukte catalogus wordt het geringe aanzien van de fotomontage in de Verenigde Staten in verband gebracht met het heersende individualisme aldaar: zoals de Amerikanen erg zijn gesteld zijn op hun eigen huis met een hek eromheen, zo hebben Amerikaanse foto's recht op hun eigen plaats in het tijdschrift, omgeven door wit. Toch hebben de samenstellers nog veel Amerikaanse fotomontages weten op te duiken. De meeste zijn propagandamateriaal voor Roosevelts New Deal of voor deelname aan de Tweede Wereldoorlog. Ook de grappigste fotomontage van de tentoonstelling komt uit Amerika: een advertentie voor koelkasten uit 1941, waarin op een reusachtige wortel drie kleine, schrikachtige vrouwen zijn gemonteerd. De begeleidende tekst luidt: “Women and carrots have one enemy in common. That enemy is dryness.”

Maar de tentoonstelling laat ook iets minder bekends zien: ondanks de associatie met "modernistisch' was het medium fotomontage voor iedereen bruikbaar. Piet Zwart en Paul Schuitema ontwierpen gelijktijdig met hun advertenties voor kapitalistische ondernemingen omslagen voor het maandblad links richten. Het Amerikaanse bedrijf Schick liet de werking van zijn scheermesjes uitleggen aan de hand van fotomontages en de Rooseveltregering lichtte er haar crisispolitiek mee toe. Bauhäusler knipten en plakten er lustig op los, maar ook van de Nazi-partijdagen verschenen later, toen het Bauhaus was opgeheven, fotomontages. Van Herbert Bayer bijvoorbeeld, is werk uit drie perioden te zien: eerst uit zijn Bauhaustijd, vervolgens de fotomontage die hij maakte voor de Berlijnse Deutschland-Ausstellung in 1936 en ten slotte, nadat hij was geëmigreerd, zijn ontwerp uit 1942 voor The Road To Victory, een tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York over de Amerikaanse oorlogsinspanningen.

Niet veel anders dan in Duitsland ging het in de Sovjet-Unie. Hier waren het eerst alleen de constructivisten die monteerden, maar later, omstreeks 1930, toen het constructivisme zelf werd verboden, was fotomontage een volkomen acceptabel middel geworden om Stalin te verheerlijken. De laatste affiches van Goestav Kloetsis, die zelf in een kamp zijn einde vond, lijken dan ook sprekend op de socialistisch-realistische schilderijen die in de andere zalen van het Paleis voor Schone Kunsten zijn te zien. Misschien was het niet de bedoeling van de tentoonstelling, maar de conclusie is onontkoombaar: fotomontage was (en is) een universeel toepasbaar medium in de twintigste eeuw.