Europarlementariër: debat immigratie is "onzin'

STRAATSBURG, 19 NOV. “Een onzin-discussie”, zegt PvdA-Europarlementariër M. van den Brink over de vraag of Nederland een immigratieland moet worden. “Nederland is het in feite al, je kunt de immigratiestromen alleen nog op een rationele manier kanaliseren.” Het Europese Parlement nam gisteren (246 voor, 18 tegen) een rapport aan over Europees immigratiebeleid, opgesteld door Van den Brink.

In de twaalf EG-landen verblijven circa 8 miljoen mensen die geen ingezetene zijn van een lidstaat. Ze zijn vaak vanuit Afrika of Oost-Europa naar de EG gekomen als migranten, asielzoekers of via gezinshereniging. “De cijfers maken Nederland tot immigratieland. Als je die status formeel wilt vastleggen, moet je doelbewust een immigratiebeleid voeren. Wie laat je toe, wie niet en hoe selecteer je?” Nederland verkeert volgens haar in een andere situatie dan traditionele immigratielanden als Canada en Australië, die de toestroom van mensen al danig hebben beperkt. “Deze landen selecteren streng. Ze kijken wat je qua beroepsopleiding te bieden hebt en sluiten hun poorten naarmate de werkloosheid toeneemt”. De immigranten uit Afrika of Oost-Europa doen in de EG echter vaak ongeschoold werk en hebben moeite om te integreren. “Het gaat in Europa om armoede-immigratie.”

Afgelopen weekeinde stelde PvdA-minister Pronk in het partijdebat over de illegalen de vraag of Nederland niet moest toegeven dat het een immigratieland is. Hij ziet voordelen in meer immigratie met het oog op de vergrijzing van de Nederlandse bevolking. Op dezelfde bijeenkomst nog spraken staatssecretaris Kosto en PvdA-fractievoorzitter Wöltgens zich tegen Pronks voorstel uit. En ook CDA-fractieleider Brinkman verwierp het idee Nederland tot immigratieland te verklaren, omdat dit volgens hem “valse verwachtingen” wekt. Pronk opende de discussie met het oog op het PvdA-programma voor de verkiezingen van 1994.

In het partijprogramma van 1989 zegt de PvdA niets over immigratie. Het CDA, D66 en de VVD hebben wel immigratieparagrafen maar deze richten zich vrijwel volledig op de integratie van legale migranten. Over illegalen spreekt geen enkele van deze partijen. In het regeerakkoord van het kabinet Lubbers-III duikt het woord wel op. “Met betrekking tot de immigratie zijn PvdA en CDA het erover eens dat deze legaal moet plaatsvinden. Om de illegale immigratie zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken dient het gebruik van collectieve voorzieningen door immigranten zonder verblijfsrechtelijke status te worden tegengegaan”.

Van den Brink vindt dat de PvdA zich in een nieuw verkiezingsprogram moet uitspreken over legale en illegale immigratie. “Het idee van Pronk klopt op basis van de feiten, maar je moet niet de suggestie wekken van: zet de deur maar open, iedereen kan komen.” Zij stelt in haar rapport - dat fel werd aangevallen door de extreem-rechtse partijen uit Duitsland, Frankrijk en België - voor om op Europees niveau "tijdelijke arbeidscontracten' op te stellen.

Elk EG-land krijgt dan op basis van de economische vooruitzichten een "quotum' toegewezen waarmee het tijdelijke arbeidscontracten aanbiedt aan burgers van buiten de EG die voor het in een bepaald land geldende uurloon werken. Na afloop van het contract zouden ze weer moeten vertrekken. Met de landen van herkomst moet de EG akkoorden sluiten met de verplichting voor die landen om hun burgers weer terug te nemen.

“De tuinder heeft zo zijn werknemer, en de anders illegale tomatenplukker krijgt voor zijn werk een redelijk uurloon en heeft voor de loop van het contract een legale status”. Als sluitstuk van het beleid houdt Van den Brink vast aan het uitzetten van illegale werkers en het zwaar bestraffen van werkgevers die illegalen tewerkstellen. Zij vindt dat de Europese Commissie snel een richtlijn moet opstellen over de tijdelijke arbeidscontracten voor niet EG-burgers.

“De kwestie is: hoe organiseer je het werk in eigen land”, zegt Van den Brink. Ze wil echter niet ingaan op de vraag of Nederlanders het vuile werk ook zelf zouden kunnen doen. Nederlanders zouden daartoe kunnen worden gedwongen door een aanscherping van het begrip "passende arbeid', door een verlaging van de uitkering bij het weigeren van werk of via workfare, een systeem waarbij uitkeringsgerechtigden gedeeltelijk werken, tegen hetzelfde uurloon als werknemers.

Het voorstel van Van den Brink heeft niet de intentie dat Afrikanen en Oosteuropeanen het vuile werk doen maar kan, zo geeft ze toe, in de praktijk wel dat effect hebben. “Misschien is dat moeilijk te voorkomen.”