Een beroepsleger zal veel geld gaan kosten

De belangrijkste argumenten van de Commissie Meyer voor het advies aan de regering de dienstplicht te handhaven kwamen pas goed naar voren in het artikel van generaal Couzy in deze krant (10 november). De totale chaos, die het realiseren van een honderd procent vrijwilligerskrijgsmacht op korte of middellange termijn met zich mee zou brengen en het ontslag van ongeveer duizend burgers en ongeveer drieduizend beroepsmilitairen waren voor de commissie twee zwaarwegende argumenten.

Deze argumenten en het feit dat het (door de minister van defensie geaccordeerde) beroepsmodel niet kon worden gevuld, vormden in wezen de grondslag voor het gegeven advies. Er was weinig publiciteit over de eerste twee factoren, maar veel over de "maatschappelijke aanvaardbaarheid'. Wat is echter maatschappelijke aanvaardbaarheid en wie bepaalt dat? Een universele taak van de vrije pers is mede de publieke opinie te bepalen. In een democratie is dat een verworven goed en een krijgsmacht is er om dat zo te houden.

Voorwaarde voor een goede begeleiding van de meningsvorming is wel dat commentaren de waarheid zo dicht mogelijk benadert. Neem het hoofdartikel in NRC Handelsblad van 29 september: “Wie in het tegenwoordige maatschappelijke klimaat de dienstplicht wil handhaven moet met zeer goede argumenten komen”. En even verder wordt over de onrechtvaardigheid dat slechts 30 tot 37,5 procent van het potentieel opkomt, gezegd: “Het gaat er vooral om hoe dit wordt ervaren”. Het woord "ervaren' is interessant. Ervaring is het gevolg van een fundamenteel kennisproces. Het is gegrondvest op waarnemen, het opnemen van ervaringsobjecten en het verwerken van innerlijke belevingen. Begeleiden van dergelijke menselijke processen kan de taak van een commentaar zijn. Vaak kiest men een krant omdat men tevoren weet in welke richting de hoofdartikelen zullen gaan. Het standpunt van NRC Handelsblad was voor mij evenwel een verrassing.

Hoe weet men dat iets als onrechtvaardig wordt ervaren? Er is een enquête gehouden waarin de vraag is gesteld hoe het Nederlandse volk over een beroepskrijgsmacht denkt. Een meerderheid bleek voor een beroepskrijgsmacht te zijn. Maar nooit is de vervolgvraag gesteld: “Als een beroepskrijgsmacht voor 25 procent uit allochtonen bestaat is dat dan voor u een aanvaardbare krijgsmacht?” (een krijgsmacht moet toch een afspiegeling zijn van de maatschappij?). Een dergelijke krijgsmacht kan moeilijkheden ondervinden bij uitzending naar bijvoorbeeld Turkije of Marokko. Ook is nimmer gevraagd hoe men denkt over meer dienstplichtigen bij marine en luchtmacht. In Frankrijk duurt de diensttijd negen maanden. Behalve op nucleaire onderzeeboten vindt men op de Franse oorlogsschepen vele dienstplichtigen.

Enquêtes geven beperkte informatie. Ik blijf me dus afvragen hoe het zit met dat "ervaren' Is de volksvertegenwoordiging een spreekbuis? Volgens H. van den Brink (Recht voor politieke partijen, 1982) is het parlement meer een partijenvertegenwoordiging dan een volksvertegenwoordiging. Partijbelang domineert meer en meer de politieke besluitvorming. De politieke elite bestaat meer en meer uit specialisten met een beperkt blikveld en zijn gebonden aan partijopvattingen en soms ook aan groepsbelangen, aldus S.W. Couwenberg in de bundel Hoe wordt de samenleving het best ingericht? De vraag hoe ervaring kan worden gemeten is hiermee gecompliceerder geworden.

Ook de Commissie Meyer onderkent het (on)rechtvaardigheidsbeginsel. Zij constateert alleen dat afschaffing van de dienstplicht nu niet kan. Wonderlijk dat die redelijke constatering weinig gehoor heeft gevonden. In het commentaar in deze krant van 29 september worden de argumenten van de chaos bij invoering van een beroepsmodel en het grootschalige ontslag niet genoemd. Wel wordt in de laatste alinea gesteld dat het wijzigen van de grondwet geen argument is om tegen een beroepsleger te zijn. De commissie is ook niet tegen een beroepsleger. Zij stelt zelfs een mix van eenheden gevuld met beroepssoldaten en eenheden gevuld met dienstplichtigen voor.

In het commentaar van deze krant werden de lezer twee zwaarwegende argumenten onthouden, terwijl de wel vermelde argumenten werden gerelativeerd, om het netjes te zeggen. Een ander voorbeeld is de werving, die een belangrijke rol speelt in het rapport van de commissie Meyer. Als deze krant in haar commentaar betoogt dat de wervingsomgeving moet verbeteren, heeft de schrijver - wat mij betreft voor het eerst - groot gelijk. De volledigheid vereist echter te vermelden dat zoiets veel tijd kost. Alweer een reden waarom de commissie de vrijheid niet had om op dit moment afschaffing van de dienstplicht te adviseren.

Op wervingsgebied heerst overigens toch veel onbegrip. Als de minister van defensie tijdens de jubileumvergadering van de Algemene Vereniging van Nederlandse Militairen (AVNM) stelt dat er zoveel vrijwilligers zijn voor de mariniers en de commando's, heeft hij misschien gelijk. We weten namelijk niet welk percentage van die vrijwilligers vervolgens wordt goedgekeurd. Maar ook al heeft hij wellicht gelijk, een krijgsmacht heeft ook monteurs, genisten, verbindingsmensen en anderen nodig en in die categorie is het aanbod dun. In Frankrijk is het streven van de legerleiding erop gericht de "Force d'Action Rapide' uitsluitend uit vrijwilligers te laten bestaan. Sinds kort lukt dat niet meer en dienen Franse miliciens weer in deze elite-eenheid. Waarmee is aangetoond hoe relatief alles is en hoe de waarneming van vandaag op morgen een andere kan zijn.

Beslissingen mogen in principe niet op een conjuncturele basis geschieden. De recente aanslag van de minister van financiën heeft zowel het beroeps- als het dienstplichtigenmodel van de Commissie Meyer vermoord. Alleen als marine en luchtmacht meer dienstplichtigen in hun organisatie gaan opnemen zal de jaarbehoefte aan dienstplichtigen een zekere mate van onrechtvaardigheid gedogen. Gebaseerd op die laatste bezuiniging stoomt de minister van defensie dan ook rechtstreeks af op een over vijf jaar te realiseren beroepsmodel. Tot die tijd blijft er dienstplicht. Men introduceert dan wel een legitimatie-probleem: Wie wil de laatste dienstplichtige zijn?

Snelle introductie van een beroepsmodel kan fysiek niet en dan hebben we het nog niet eens over het vraagstuk van de omvang. Ik heb ernstig bezwaar tegen de - door de laatste bezuinigingen gedwongen - omvang van in het bijzonder de landmacht. De Commissie Meyer hanteert een model met een vredessterkte van 43.500 militairen voor de landmacht, dat gebaseerd is op een veiligheidsanalyse. De minister kan - gedwongen door zijn collega van financiën - niet verder gaan dan ongeveer dertig- tot vijfendertigduizend personen. Hoewel, gedwongen? Hij was er zelf bij.

De weg naar een beroepsmodel is politiek makkelijker, maar praktisch moeilijker, als je tenminste goed voor je huidige beroepspersoneel wilt zorgen en de organisatie van een thans redelijk functionerend krijgsmachtdeel niet wilt verzieken. Het gaat er om aan te wijzen wie het schip het eerst moet verlaten. Dat zal vooral bij de landmacht hard aankomen en de zo noodzakelijke wervingskracht niet bevorderen. De posterioriteit bij de landmacht leggen is trouwens ook in strijd met de natuur van de dingen. Zelden is er, vooral in het verband van de Verenigde Naties, meer behoefte geweest aan landstrijdkrachten. Als we doorgaan met bezuinigen in het tempo waarmee de huidige minister bezuinigt, bestaat de krijgsmacht over dertig jaar uit drie schepen, drie vliegtuigen en drie pelotons Joegoslavië-veteranen. Het mag van mij als de wereld dan uitsluitend uit vredelievende mensen bestaat, maar het mag geen gevolg van achtereenvolgende bezuinigingen zijn.

Nog een keer het hoofdartikel in NRC Handelsblad. De kop daarboven "Beroepsleger kost geld' is geheel correct. Generaal Colin Powell (de Amerikaanse voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven) zei in maart nog tegen mij, dat wat hem betreft wij het dienstplichtsysteem niet hoeven af te schaffen. Maar als we toch een beroepsleger gaan opbouwen, geldt - zo zei hij - slechts één goede raad. “You got to pay them well”. Zouden we dat in Nederland durven? Uiteindelijk bepaalt de mens de slagkracht van een leger. Ook al is dat leger te klein.