Derde-wereldlanden raken steeds meer in trek bij eco-toeristen

Nog voor het jaar 2000 zal het toerisme de grootste exportindustrie ter wereld zijn. Groter dan de wapenindustrie en de handel in olie, verwachten toeristenorganisaties. De 200 miljard dollar die omgaat in de toeristenbranche wordt jaarlijks bijeengebracht door zo'n 400 miljoen mensen die een of meer dagen per jaar vakantie vieren in het buitenland. Een steeds groter deel van die groep heeft genoeg van de bekende toeristenplaatsen en trekt als "eco-toerist' het oerwoud in.

ROTTERDAM, 19 NOV. Landen in Afrika, Zuidoost-Azië en Latijns Amerika winnen aan populariteit bij vakantiegangers, zo blijkt uit een onlangs verschenen jaarboek van de World Tourist Organization (WTO). De honderd miljoen toeristen die jaarlijks "exotisch' op vakantie gaan, besteden in totaal meer dan vijftig miljard dollar, waarvan een deel ten goede komt aan de bevolking in de bezochte gebieden.

Van die groep toeristen bestaat een niet te verwaarlozen aantal uit zogenoemde eco-toeristen, vakantiegangers die proberen hun verblijf zo ecologisch verantwoord mogelijk door te brengen. In het bezochte land proberen ze geen schade te veroorzaken aan natuur en milieu en zo min mogelijk veranderingen aan te wakkeren op sociaal en voornamelijk historisch en cultureel niveau.

Volgens David Western, voorzitter van het in januari in Maleisië gehouden ASEAN Tourism Forum, besteden eco-toeristen jaarlijks tussen de twee en tien miljard in de niet-Westerse landen. De komende decennia zal de markt van het eco-toerisme volgens Western nog tussen de twaalf en vijftien procent groeien. Twee tot drie keer zo veel als het gewone toerisme.

Hoewel eco-toerisme door sommige reisorganisaties omschreven wordt als de "redding voor de Derde wereld', is er de laatste tijd steeds meer kritiek op deze manier van reizen gekomen. Tijdens een conferentie in de Londense Royal Geographical Society waarschuwde Erlet Carter van de Reading University onlangs voor de schadelijke gevolgen voor het milieu die de stijging van het toerisme tot gevolg heeft.

Carter is van mening dat het eco-toerisme veel meer schade toebrengt aan het milieu en aan de lokale bevolking dan het massa-toerisme. “Omdat eco-toeristen dieper het land intrekken, zijn ze moeilijker te controleren dan de "gewone' massa-toeristen. De natuurvrienden denken ook vaak dat ze het recht hebben diep in het oerwoud te dringen”, hield Carter het publiek voor. Een groot deel van de deelnemers aan eco-toeristische vakantietrips bestaat uit natuurliefhebbers en biologen.

Volgens Jan Nieuwenhuis, hoofd van de afdeling toerisme van het ministerie van economische zaken, is het gevaar van eco-toerisme juist dat het zich vooral richt op de allerkwetsbaarste natuurlijke gebieden. “In oerwouden met een ingewikkeld ecologisch systeem en gevoelige gebieden als Antarctica kunnen toeristen nu eenmaal veel schade aanrichten.”

Theo Jans van Ecotravel, een Nijmeegse stichting die sinds vier jaar reizen organiseert naar bijzondere natuurgebieden in Afrika, Zuidoost-Azië, Latijns Amerika en Australië, is het met die kritiek niet eens. “Zodra een gebied overspoeld dreigt te worden met toeristen, stoppen wij met het promoten van dat gebied. We kunnen alleen maar hopen dat andere reisorganisaties dat ook doen. Aan de andere kant is het belangrijk dat regeringen een limiet instellen voor de toestroom van toeristen. Iets wat bijvoorbeeld duidelijk is nagelaten bij de overvolle Ecuadoraanse Galápagos-eilanden.”

Jans richtte samen met twee andere biologen in 1988 de stichting Ecotravel op toen duidelijk werd dat de wat exotische bestemmingen steeds meer toeristen trokken. “Onze opzet was om te laten zien dat het gewone toerisme ook op een andere manier kan worden bedreven”, vertelt Jans. “We willen de mensen duidelijk maken dat de Derde wereld niet voor z'n lol de regenwouden kapt en de natuur afbreekt. Als de regeringen in Derde-wereldlanden doorhebben dat via het toerisme met hun regenwouden geld kunnen verdienen, zijn ze misschien eerder geneigd die te laten staan.”

De interesse in eco-reizen, kleine groepjes mensen die een natuurpark of speciaal natuurgebied intensief bezoeken, neemt volgens Jans duidelijk toe. “Precieze cijfers zijn moeilijk te geven. Maar volgens de Hogeschool voor Toerisme in Breda wordt de belangstelling voor eco-reizen steeds groter en ook wij organiseren jaarlijks steeds meer reizen.”

Behalve de stichting Ecotravel bestaan er zeker nog zo'n vijftig andere reisbureautjes in Nederland die "iets' met eco- of natuurtoerisme te maken hebben. Om wat meer zicht op die markt te krijgen en om de klant duidelijk te maken wat het eco-gehalte van een reisorganisatie inhoudt, is Frans de Man, voorzitter van de stichting Retour, al enige tijd bezig met het opzetten van een "keurmerk' voor reisorganisaties.

“Reisbureaus die zo'n keurmerk willen verdienen, moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen die de milieuvriendelijkheid van de reis bepalen. Vakantiegangers kunnen dan zelf kiezen of ze het belangrijk vinden milieuvriendelijk te reizen of niet”, zegt De Man. “Het zijn geen bindende regels, maar meer een soort handleiding voor de kritische toerist. Net zoiets als de Max Havelaarkoffie.”

Een van de criteria voor het keurmerk, waarover De Man overeenstemming heeft bereikt met een aantal kleine reisorganisaties, is dat de plaatselijke bevolking in het ontvangende ontwikkelingsland iets aan de vakantiegangers moet verdienen. Verder moet de bevolking inspraak hebben over de vorm van toerisme, die sociaal en cultureel geen al te grote invloed mag hebben en milieuvriendelijk moet zijn.

Hoewel dit criteria zijn die voor veel eco-toeristische reisbureaus opgaan, vindt De Man het niet belangrijk of iets een vorm van eco-toerisme is of niet. “Het gaat tenslotte niet om de naam, maar om het effect”, zegt hij. “Daarnaast is het natuurlijk de vraag wanneer iets eco-toeristisch is. Het gaat erom dat de Derde Wereld er beter van wordt. Is een fietsreisje naar het strand een vorm van eco-toerisme of moet je daarvoor speciaal naar een ver land toe vliegen om het oerwoud in te wandelen?”

Binnen de World Tourist Organization (WTO), een aan de Verenigde Naties gelieerde organisatie, wordt al sinds de oprichting in 1976 gepraat over het verlenen van hulp aan ontwikkelingslanden die te maken hebben met een toenemende stroom toeristen. Eens in de twee jaar komen de 105 leden, waaronder zowel arme als rijke landen, bij elkaar om onder meer te praten over ontwikkelingshulp op toeristisch gebied, het opzetten van scholen, toeristische belemmeringen en statistieken.

Om de nadruk wat meer te leggen op de relatie tussen het toerisme en het milieu nam Nederland twee jaar geleden het voortouw bij het nieuw leven inblazen van een commissie binnen de WTO waarin die problemen werden besproken. Begin deze maand kwamen experts bijeen in de Canadese plaats Winnipeg om de mogelijkheden van het instellen van internationale indicatoren te bespreken. Hiermee zou een beter beeld kunnen ontstaan over de gevolgen van toerisme.

Andere onderwerpen waarover de "tourism and environment'-commissie zich heeft gebogen zijn het opzetten van richtlijnen voor de ontwikkeling van nationale parken, de draagkracht van toeristische gebieden en een handboek over toerisme voor lokale overheden. Een belangrijk punt is volgens Nieuwenhuis, die als hoofd Toerisme van economische zaken veel met de WTO te maken heeft, dat de onderontwikkelde landen die voor het eerst wat met toerisme te maken krijgen, goed worden voorbereid op de stroom vakantiegangers. Via het WTO kunnen die landen kennis nemen van de ervaringen die Westerse landen op dit gebied hebben.

Nieuwenhuis: “Er zijn genoeg Afrikaanse landen die graag toeristen willen binnenhalen, maar dan liefst zonder dat hun hele land overhoop wordt gehaald. Wat een overheid met de door ons gegeven informatie doet, is haar eigen verantwoordelijkheid. Als ze bomen wil kappen voor een nieuw hotelpark kunnen wij er natuurlijk ook niets aan doen.”