Centrales helpen 200 vluchtelingen Nederland uit; Meeste mensen geen vertrouwen goede afloop asielaanvraag

ROTTERDAM, 19 NOV. “Hij heeft net het Nederlanderschap gekregen”, zegt Avo Babaian (37) wijzend op de jonge Armeniër die op ons tafeltje afloopt in een zaaltje van een cultureel centrum in Dordrecht. “Zes jaar geleden vluchtte hij uit Iran, nu pas is alles voor elkaar.” Hij is blij voor zijn land- en lotgenoot die na jaren gedwongen nietsdoen, nu een baan heeft als automonteur. Het is een van Avo's laatste bezoeken aan de tweewekelijkse Armeense middag. Hij heeft toestemming gekregen om met zijn grootmoeder, een oude tante en zijn vader en moeder naar Amerika te emigreren.

De katholieke en christelijke emigratiecentrales in Den Haag helpen jaarlijks zo'n tweehonderd vluchtelingen als Avo Babaian aan een legaal verblijf in vooral de Verenigde Staten of Canada. Sinds de jaren twintig hielpen de centrales duizenden Nederlanders emigreren. De christelijke bouwde in de loop der jaren goede contacten op met Canadese kerkelijke instellingen die de Nederlandse emigranten opvingen en op weg hielpen in hun nieuwe land. De katholieke was vooral actief in de Verenigde Staten. Toen het aantal emigranten na 1970 sterk daalde, begon men het groeiende aantal asielzoekers te helpen.

De meeste vluchtelingen die bij de centrales aankloppen hebben geen vertrouwen in een goede afloop van hun Nederlandse asielaanvraag en zoeken een kans op een nieuw leven in de Verenigde Staten of Canada. Vaak hebben ze daar al familie of kennissen. De asielzoekers horen uit het hulpcircuit over de emigratiecentrales. “En natuurlijk gaat de informatie onder hen razendsnel rond”, zegt Marga Schipper, consulente doormigratie asielzoekers van de Christelijke Emigratie Centrale.

Tegenover de tweehonderd die uiteindelijk met hulp van de centrales jaarlijks doormigreren, staat een veelvoud van mensen die informatie vragen. De centrales kennen de eisen waaraan voldaan moet worden en zorgen voor een eerste selectie. Wanneer iemand een kans maakt, krijgt hij van de centrales een intensieve begeleiding tot het moment van vertrek. De meeste procedures kosten 1 tot 2 jaar.

Canada laat vluchtelingen op verschillende gronden toe. Wanneer een asielzoeker in Canada een familielid heeft dat borg (ook financieel) wil staan voor een periode van meestal vijf jaar, kan hij een verzoek indienen. Er worden daarbij eisen gesteld aan de beroepsopleiding en de kans op het vinden van werk. Verder nodigt de Canadese overheid jaarlijks 8.000 vluchtelingen uit. Vorig jaar werd bovendien aan 19.425 asielzoekers in eigen land de vluchtelingenstatus verleend (10.000 aanvragen werden afgewezen). Daarbij komt nog een onbeperkt aantal vluchtelingen dat met steun van kerkelijke organisaties een verblijfsvergunning krijgt. In 1991 betrof dit 20.000 mensen. De christelijke centrale zoekt voor de mensen die ze helpt een plaats bij dergelijke instanties die dan in Canada de begeleiding overnemen. De Canadese ambassade schat dat uit Nederland nog eens 200 vooral Poolse en Roemeense asielzoekers emigreren met directe steun van hun kerken in Canada.

Het gros van de asielzoekers die met hulp van de katholieke centrale naar de Verenigde Staten emigreren, valt onder een speciale regeling voor mensen uit het Midden-Oosten die tot een onderdrukte religieuze minderheid behoren, zoals de Armeniërs in Irak en Iran. Vluchtelingen uit een aantal andere landen kunnen een verblijfsvergunning krijgen als ze een broer of zus hebben die legaal in de VS woont. “De Amerikanen zijn strenger geworden”, zegt Hota Davis, consulente bij de katholieke centrale. “Eerst kwam meer dan 80 procent van de mensen die wij aanboden door de procedure, nu nog maar 40 procent.” Vorig jaar lieten de VS 133.000 vluchtelingen toe. In Nederland kregen in 1991 3.300 asielzoekers toestemming hier voorlopig of permanent te blijven.

De Armeniër Avo Babaian is in de jaren zeventig in de Verenigde Staten opgeleid tot civiel ingenieur. Na de revolutie van Khomeiny keerde hij in 1979 terug naar Iran. In 1983 is hij met een paar vrienden een bouwbedrijf begonnen. Zes jaar ging het goed, tot hij een keer van zijn bed wordt gelicht en dagenlang ondervraagd. “Sindsdien bleven ze me lastig vallen. Ik moest weg.” Hij kocht voor achtduizend dollar een paspoort, visum en ticket en slaagde erin Istanboel te bereiken, waar zijn familieleden zich bij hem voegden. Zijn toeristenvisum bleek voor Nederland te zijn.

Na enkele maanden in een vluchtelingencentrum kreeg hij een woning in Dordrecht, waar hij samen met zijn familie wachtte op de uitslag van de asielaanvragen. Van iemand van VluchtelingenWerk hoorde hij van de mogelijkheid naar de Verenigde Staten te emigreren. Nadat Babaian samen met de emigratiecentrale zijn aanvraag had ingediend, wachtte hij op de uitnodiging voor een gesprek. Die interviews worden tweemaal per jaar in de Amerikaanse ambassade in Brussel gehouden en duren zelden langer dan een half uur. Door de korte tijd die de emigratie-ambtenaar per interview heeft, zijn de antwoorden op het aanvraagformulier erg belangrijk. Begin december ging hij naar Brussel en kort daarna, rond de kerstdagen van 1991, hoorde Babaian dat hij en zijn familie naar de Verenigde Staten mochten emigreren.

Een paar weken daarvoor had de Justitie hun eindelijk een vergunning voor tijdelijke verblijf verleend. Hij laat het bijbehorende document zien. Het heeft veel weg van een spaarboekje voor benzinezegels. Elk jaar moet je een stempeltje halen bij de vreemdelingenpolitie. Als na vijf jaar de kaart vol is, mag je voor altijd blijven. Tot die tijd kan Justitie als de omstandigheden in het land van afkomst verbeteren, je dwingen terug te gaan. Die onzekerheid is voor Avo de voornaamste reden te emigreren naar de Verenigde Staten. En hij mag daar werken. “Eindelijk weer zelf mijn geld verdienen en niet afhankelijk zijn van een uitkering.”

Onder meer door ziekte van een Amerikaanse ambtenaar is de reis van Babaian al een paar keer uitgesteld. Hota Davis is blij dat ze gisteren eindelijk zijn vertrokken. Het Terugkeerbureau van Justitie heeft hem op Schiphol de tickets gegeven en in Amerika hebben zijn twee broers gezorgd voor woonruimte. Bij een firma waar hij vroeger voor werkte, kan hij binnenkort aan de slag.

Het werk op de centrales is de laatste jaren sterk toegenomen. “De hele dag bellen ze om informatie, de vluchtelingen, maar ook advocaten en instanties”, zegt Marga Schipper. Net als Davis vindt ze het aantal mensen dat ze kan helpen groot genoeg om het werk voort te zetten. “Een deel van hen heeft geen alternatief. Of ze blijven hier illegaal, of ze moeten terug.”

De emigratiecentrales worden gefinancierd uit giften van particulieren, kerken en maatschappelijke instellingen. Dit jaar hebben ze voor het eerst een subsidie (157.000 gulden) gevraagd. Op de laatste brief aan Justitie van eind september is nog geen antwoord gekomen. De centrales rekenen daarin voor hoeveel Nederland bespaart op een doormigrerende asielzoeker. Schipper: “Als je aanneemt dat een gedoogde anders nog minstens een jaar in een opvangcentrum moet verblijven, scheelt dat 14.000 gulden per persoon”. De centrales schatten de totale besparing voor de overheid voorzichtig op 1,5 miljoen gulden. Dat ze het ministerie met financiële argumenten moeten overtuigen, doet Schipper en Davis pijn. Het menselijke aspect vinden ze veel belangrijker. Schipper: “Maar men is absoluut niet gevoelig voor humanitaire argumenten. Dat zeg ik ook vanuit onze christelijke achtergrond.”