CDA-jeugd: 1,5 procent voor ontwikkelingshulp

DEN HAAG, 19 NOV. De CDA-jongeren zijn tegen het loslaten van de norm om 1,5 procent van het netto nationaal inkomen te besteden voor ontwikkelingshulp. De CDA-fractie besloot deze week dat deze norm moet vervallen.

Het CDA-partijbestuur probeert compromissen te vinden voor de partijraad, volgende week zaterdag in Arnhem.

“We moeten ons in bescherming nemen tegen onszelf”, aldus J. de Vries, voorzitter van het CDJA. “Je kunt kijken naar doelmatigheid, maar als je de norm loslaat, blijft er niet veel van ontwikkelingssamenwerking over”. Het kabinet en de Tweede Kamer besloten deze week om die norm te laten varen. Deze werd in de praktijk al niet meer gehaald en in de begroting waren ook posten opgenomen, zoals de uitgaven voor asielzoekers, die niet rechtstreeks met de derde wereld te maken hebben. Het CDJA keert zich al jaren tegen deze “vervuiling”, maar vindt niet dat dit een excuus mag zijn om de norm van 1,5 procent los te laten.

De CDA-fractie liet de 1,5 procentsnorm varen, omdat er garanties waren dat de armste landen niet minder hulp zouden krijgen. Sommige fractieleden noemen het een “symbolische discussie” omdat de norm van 1,5 procent voor een deel van de CDA-achterban als een “keurmerk voor barmhartigheid” wordt gezien. Op de partijraad wordt een notitie besproken die is opgesteld door de voorzitter van de CDA-commissie buitenland, H. Neuman. “De armste landen blijven gespaard”, zegt Neuman, maar hij wijst er op dat er in Oost-Europa nu ook landen zijn die langzamerhand het karakter van een ontwikkelingsland krijgen. “Het gaat er mij om achterhaalde oriTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT entaties bij te stellen en doelmatigheid van de hulp meer nadruk te geven.”

In het Tweede-Kamerdebat over ontwikkelingssamenwerking legde de CDA-fractie vanmorgen de nadruk op de effectiviteit van de hulp, nadat minister Pronk had opgemerkt dat de kwaliteit van het bestuur in een ontwikkelingsland voorwaarde is voor steun. CDA-fractiewoordvoerder Van Leijenhorst vroeg Pronk waarom Tanzania veel hulp krijgt terwijl de politieke koers negatieve gevolgen heeft veroorzaakt. “Tanzania voerde een marxistische politiek en was in de jaren zeventig het stokpaardje van de PvdA”, aldus Van Leijenhorst. “Maar nu hecht de PvdA aan een andere koers, tegenovergesteld van toen.” Pronk erkende dat er in Tanzania “fouten” waren gemaakt. “Het is behoorlijk misgegaan.” Volgens hem lag het ontstaan van een nieuwe elite en gedwongen dorpsvorming aan de basis van de fouten. “Maar Tanzania is niet een voorbeeld van een land waar het volledig is mislukt. Het gaat er, behalve ten aanzien van economische groei, beter dan in andere landen van Oost-Afrika”. E. Terpstra (VVD) sprak dat tegen. “Na zoveel hulp is Tanzania er slecht aan toe. Het land is het meest afhankelijk van ontwikkelingshulp.”

J. Verspaget (PvdA) vroeg Pronk wat het beleid had opgeleverd voor economische zelfstandigheid van Suriname en de Antillen. “Dat is ook mislukt”, zo luidde het antwoord. Pronk zei dat veel landen die naar staatkundige zelfstandigheid streven “voorzichtig” moeten zijn. “Nog meer hulp is dan contra-produktief omdat de afhankelijkheid van de hulp dan wordt vergroot.”