Bendes Rotterdam steeds jonger en gewelddadiger; "De overheid komt alleen nog in actie na grote prikkels'

Tweehonderd voornamelijk allochtone jongeren verzamelden zich vorige week vrijdag in Rotterdam om samen skinheads af te tuigen. De politie wist ternauwernood te verhinderen dat voor de tweede keer binnen een week jeugdbendes elkaar te lijf gingen. “De afspraken om vrijdag opnieuw ten strijde te trekken, zijn al gemaakt”, zegt H. Daalmeijer, die bij Humanitas belast is met jeugdreclassering.

ROTTERDAM, 19 NOV. Rassenrellen wil niemand het noemen. Zo'n constatering is een versimpeling van de werkelijkheid en kan, voor je het weet, voorspellende waarde krijgen. Maar verontrust zijn degenen die beroepshalve met jongeren werken wel over de recente onlusten die zich in Rotterdam tussen jongeren voordoen.

“Er vormen zich in Rotterdam steeds grotere groepen van kansarme jongeren die door ouders, school en hulpverlening zijn uitgespuugd. Het is een heel bont gezelschap dat in bendes delicten pleegt zoals diefstallen of zedenmisdrijven”, zegt L.G. Oost van de strafzakenunit van de Rotterdamse Raad voor de Kinderbescherming.

Leerplichtambtenaar P. van Zetten in Rotterdam spreekt over enige honderden veelal dertien- à veertienjarige spijbelaars die doelloos hele dagen door de stad zwerven en “soms gewoon de hele dag gaan vissen”, maar ook niet zelden in het criminele circuit belanden.

Ook bij jongeren die nog wel scholen bezoeken is volgens E. Goyvaerts, adjunct-directeur van scholengemeenschap Groot Charlois, sinds een jaar of drie een agressie waar te nemen die voordien ongekend was. Laatst moest hij nog een twaalfjarige jongen tot de orde roepen die een medescholier afperste. Het slachtoffer moest de jongen de volgende dag honderd gulden leveren, anders zouden er maatregelen volgen. “Het knaapje kwam niet boven de verwarming uit”, zegt Goyvaerts.

Er is een duidelijke stijging waarneembaar in het aantal delicten dat groepsgewijs door jongeren wordt gepleegd, zegt mr. L. de Jonge, officier van justitie in Rotterdam. Ook de aard van delicten verandert volgens haar. “Jeugdbendes zijn er natuurlijk altijd geweest. Maar waar het vroeger ging om bijvoorbeeld de vernieling van een bushokje, zie je nu een verschuiving naar groepsgewijze afpersing, zoals het zogenoemde ontniken.” Hierbij wordt het slachtoffer van dure gymschoenen ontdaan. Ook het mishandelen van homoseksuelen en het plegen van groepsverkrachtingen neemt toe, zegt De Jonge. De leeftijd van de plegers van dergelijke delicten daalt volgens haar. Zo werd vrijdagavond op de Lijnbaan een veertienjarige jongen doodgestoken door een zeventienjarige, na een ruzie om een meisje.

“Dat de agressie onder Rotterdamse jongeren snel stijgt, staat buiten kijf”, meent A. Bijl van de Rotterdamse jeugd- en zedenpolitie. Veel geweld komt volgens hem voort uit de angst die de diverse bendes voor elkaar hebben. “Wie geld heeft, koopt een vlindermes. Anderen nemen gewoon een mes uit de keukenla mee. Ze dragen het bij zich en ze grijpen ernaar als ze in paniek raken.” Vaak raken twee groepen slaags om een futiliteit. “Dan krijg je een proces waarbij het geweld escaleert.” Volgens Bijl gebruiken de oudere bendeleden steeds vaker “kleine jochies van twaalf, dertien jaar”, die ze bij confrontaties als eersten naar voren schuiven. “Die jongetjes voelen dat ze zich ten opzichte van de ouderen moeten waarmaken, want pas dan verwerven ze zich enig aanzien.”

De enige methode om iets tegen de dreigende escalatie van geweld te ondernemen is volgens Bijl "keihard politie-optreden'. Bijl: “Ik zou geen andere methode weten. Nu is het zo dat ze zich steeds in de anonimiteit van de groep kunnen verschuilen. Dat patroon moeten we zien te doorbreken. Steeds maar een nieuw buurthuis uit de grond stampen is ook niet alles.” Bijl toont zich ongelukkig met de decentralisatie van de Rotterdamse kinder- en jeugdpolitie die per 1 januari 1993 gestalte moet krijgen. “Nu zitten we met een man of vijftig bij elkaar. Straks raakt alles verbrokkeld. We zullen expertise kwijtraken en bovendien zullen ze ons ook voor ander recherchewerk gaan inzetten.”

Jongerenwerkers in Rotterdam noemen het een nieuw verschijnsel dat verschillende jeugdgroepen gezamenlijk ten strijde trekken. Groepen die zich vroeger apart en vaak raciaal gescheiden verzamelden op vaste locaties in de stad hebben volgens Daalmeijer van Humanitas een aanleiding gevonden om collectief acties te ondernemen.

Afgelopen vrijdag vormde zich in Rotterdam een opmerkelijke coalitie van onder meer Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers, Kaapverdianen en enkele blanke jongeren. Ze wilden op jacht gaan naar "skinheads' in de nieuwbouwwijk Zevenkamp, maar het vijandbeeld bleek bij navraag diffuus. De een had het vooral begrepen op joden, de ander wilde graag afrekenen met “die tyfus-illegalen”.

Mr. C. de Groot, kinderrechter in de regio Rotterdam-Zuid, zegt geen “systematische discriminatie” tussen jongeren waar te nemen. De scheidingen zijn vaak eerder geografisch dan raciaal: mensen uit het centrum tegen de "boeren' van de Zuidhollandse eilanden, of de ene school tegen de andere. L. Oost van de Kinderbescherming zegt wel de nodige jongeren tegen te komen “met zeer verontrustende extreem-rechtse opvattingen”, maar zij zouden zich niet zo zeer op basis van die opvattingen organiseren.

Veel allochtone jongeren zeggen bevreesd te zijn door skinheads te worden afgetuigd, maar van grote groepen kaalgeschoren jongens lijkt geen sprake te zijn. Wel schromen jongeren steeds minder om openlijk nazistische symbolen te dragen. Zo zijn er Rotterdammers gesignaleerd die hun haardos in de vorm van een hakenkruis hebben geschoren. In voetbalstadions is het gemeengoed geworden dat uit duizenden kelen "Dood aan de joden' klinkt, begeleid door sis-geluiden. Zondag werden via een snelrechtprocedure in het Feyenoord-stadion drie jongeren tot een boete van driehonderd gulden veroordeeld wegens het brengen van de Hitler-groet.

Kinderrechter De Groot noemt het belachelijk dat vooral via harder justitieel optreden wordt getracht uitingen van racisme aan te pakken. “Regelingen werken tussen nette mensen, maar je hebt hier te maken met kansarme jongeren met een gebrekkige geestesontwikkeling. Het enige dat dan helpt is via een karrevracht maatschappelijk werk de bewustwording te verbeteren”. Nog zo'n onzalig voornemen is volgens De Groot het regeringsplan om spijbelaars justitieel aan te pakken. “Dat soort jongelui komt niet eens naar een zitting van de kinderrechter. Je lost hun problemen niet op met strafbaarstelling van hun gedrag.”

Justitie is volgens zijn collega, die gaat over het centrum en de regio noord in Rotterdam, kinderrechter mr. H. C. Prins te veel in de ban van de aanpak van zware criminaliteit. De afdeling jeugdbeleid leidt op het departement een kommervol bestaan, zo heeft hij laatst weer van de verantwoordelijke ambtenaar begrepen. “In onze sector is voorlopig alleen geld voor het bouwen van extra detentieruimte voor jongeren. Maar dat heeft alleen maar een aanzuigende werking: meer cellen leiden ertoe dat je er ook steeds meer nodig hebt.”

De onlusten mogen dan niet als een opmaat van rassenrellen zijn te karakteriseren, de betrokken allochtone jongeren ervaren wel degelijk discriminatie en zeggen zich zorgen te maken over achterstelling. Ze verwijzen naar de behandeling die vreemdelingen in Duitsland ten deel valt en zeggen het ergste te vrezen.

J. Verbaal van het project Cashba in Rotterdam, dat met de uitvoering is belast van alternatieve sancties voor allochtone jongeren, zegt dat de klachten over discriminatie niet al te serieus moeten worden genomen. “Het is modieus om te roepen dat je wordt achtergesteld. Dan hoeven ze niet bij zichzelf te rade te gaan of ze wellicht ook zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun handelen”, aldus Verbaal. “Het woord "discriminatie' ligt bij veel allochtone jongeren op het puntje van de tong. Dat dient als dooddoener”, ervaart ook schoolhoofd Goyvaerts.

Prins wijt een belangrijk deel van de huidige problemen die nu met jongeren ontstaan aan “lankmoedig beleid” van justitie. “In de jaren zeventig was er nog alle financiële ruimte voor experimenten met maatschappelijk werk voor jongeren, maar nu is er alleen nog maar geld voor justitiële maatregelen. Er moet kennelijk eerst iets gigantisch misgaan voordat er weer ruimte komt voor jeugdhulpverlening. De overheid komt helaas alleen nog maar in actie na grote prikkels.”

In een reactie op de recente onlusten in Rotterdam merkt burgemeester Peper op “dat dergelijke echte berichten uit de samenleving duidelijk maken dat ook in Nederland de grote stad zich in een buitengewoon moeilijke positie bevindt”. Peper stelt vast dat nu de grote leegloop uit de jaren zestig en zeventig tot staan is gebracht “de stad niet alleen weer een kweekplaats is geworden voor initiatieven maar ook voor problemen”.

Nog altijd zijn Amsterdam en Rotterdam volgens hem in sociaal, economisch en cultureel opzicht kwalitatief hoogwaardige steden. “Nederland heeft nog een keuze. We zijn nog in staat het verloederingsproces in de steden te keren. Een verbetering van de geestelijke infrastructuur waartoe woningbouw, stadsvernieuwing en onderwijs behoren, is daarbij essentieel. De samenleving is natuurlijk niet maakbaar, maar wel een beetje”, aldus Peper. Hij meent dat “heel veel extra aandacht voor de steden” noodzakelijk is. “Komt die niet, dan dreigen we af te glijden naar een ontwikkeling zoals in veel andere landen, waar hele stadsdelen gewoon zijn opgegeven.”