Verval

"Betreden op eigen risico.' Dus betraden we.

Steenfabrieken zijn uit een tijd dat Nederland nog ruimte had. Breed uitgebouwde ovens vonden hun pendant in hoog opgetrokken schoorstenen. Verweerd en lichtelijk uit het lood staken deze pijpen in de lucht. Met windkracht tien moest je uit de buurt blijven.

Waar wij voorzichtig naar binnen gingen, gingen duiven hals over kop naar buiten.

Naakte muren. Lege leidingen. Het druipen van water. Het klapperen van een rooster. Het knarsen van glas onder je voeten. Een trap zonder treden. Het karkas van een machine. En overal restanten van rails voor spoorloos verdwenen kipkarretjes.

Zoals Oom Dagobert in zijn geld, zo doken wij onder in de schoonheid van het verval. Wat als je er over nadenkt echt iets anders is dan het verval van de schoonheid, misschien precies het tegenovergestelde.

Op een droge vloer vonden we het veertje van een kerkuil.

In een betonnen bak een egeltje dat wel de toegang, niet de uitweg had gevonden.

Onder een weggedrukt stuk dak een plek met mos en varens, een begin van struikgewas en geboomte.

In een open venster ten slotte de uitwerpselen van vermoedelijk een steenmarter - de rijkdom van dit dier, een steenfabriek voor zichzelf.