Uit het Verdrag van Maastricht:

TRANSEUROPESE NETWERKEN

ARTIKEL 129 B

1. Ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 7 A en 130 A bedoelde doelstellingen en om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de voordelen die uit de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen voortvloeien, draagt de Gemeenschap bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van transeuropese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur.

2. In het kader van een stelsel van open en concurrerende markten is het optreden van de Gemeenschap gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken. Daarbij wordt met name rekening gehouden met de noodzaak de insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's met de centrale regio's van de Gemeenschap te verbinden.

ARTIKEL 129 C

1. Voor de verwezenlijking van de in artikel 129 B genoemde doelstellingen:

stelt de Gemeenschap een geheel van richtsnoeren op betreffende de doelstellingen, de prioriteiten en de grote lijnen van de op het gebied van transeuropese netwerken overwogen maatregelen; in deze richtsnoeren worden projecten van gemeenschappelijk belang aangegeven;

treft de Gemeenschap alle maatregelen die nodig kunnen blijken om de interoperabiliteit van de netwerken te verzekeren, met name op het gebied van de harmonisatie van de technische normen;

kan de Gemeenschap steun verlenen aan de financiële inspanningen van de Lid-Staten voor projecten van gemeenschappelijk belang die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de in het eerste streepje bedoelde richtsnoeren, met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies; de Gemeenschap kan ook door middel van het overeenkomstig artikel 130 D uiterlijk op 31 december 1993 op te richten Cohesiefonds bijdragen aan de financiering van specifieke projecten in Lid-Staten op het terrein van de vervoersinfrastructuur.

Bij het optreden van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de potentiële economische levensvatbaarheid van de projecten.