Koolzaad en witte wijn

Verleden week stuurden Franse boeren een kistje uitgelezen witte wijn aan Bill Clinton. Dat gebaar was niet bedoeld om hem te feliciteren met zijn verkiezingsoverwinning. De Franse wijnboeren zijn bang dat ze vanaf 5 december grote afzetproblemen krijgen met hun witte wijn. Als Europa voor die datum niet toegeeft aan de Amerikaanse eis de subsidies op oliehoudende zaden drastisch te verminderen, dreigt de Amerikaanse regering met economische sancties. Bovenaan het lijstje met strafmaatregelen staat een verhoging van de invoerrechten op Franse witte wijn met 200 procent. Dat leidt tot een enorme prijsverhoging, waardoor het Franse produkt onverkoopbaar wordt op de Amerikaanse markt. Het cadeautje aan de toekomstige Amerikaanse president was bedoeld als hint: proef een slok, en bedenk dan wat je het Amerikaanse volk straks gaat onthouden. Zouden die Franse boeren niet weten dat de bewoner van het Witte Huis voorlopig nog George Bush heet? En, afgezien daarvan, had de wijn niet beter kunnen worden bezorgd bij François Mitterrand?

Over de subsidievermindering op oliehoudende zaden hoeft namelijk helemaal niet te worden onderhandeld. Daarover is jaren geleden al een afspraak gemaakt binnen de Algemene Overeenkomst Inzake Tarieven en Handel (GATT). Het enige dat Amerika wil, is dat Europa (lees: Frankrijk, want dat is de grootste koolzaadproducent) die afspraak nakomt. Al twee keer heeft de Amerikaanse regering zijn beklag gedaan bij de GATT en twee keer heeft de GATT beslist dat Amerika gelijk heeft: de Europese subsidie levert een onaanvaardbaar concurrentienadeel op voor de Amerikaanse sojaboeren. Welke zin heeft het om nieuwe handelsafspraken te maken met Europa als de bestaande niet eens worden nageleefd?

Toen de GATT in 1947 aan zijn eerste onderhandelingsronde begon (de zogeheten Genève-ronde), werd de wereldhandel geteisterd door hoge invoerrechten en andere handelsbelemmeringen. In de eerste dertig jaar van zijn bestaan wist de GATT het gemiddelde invoertarief op industrieprodukten te verlagen van 40 procent tot 10 procent. Het is niet toevallig dat de wereldhandel in die periode explosief toenam. Tussen 1950 en 1975 vervijfvoudigde het wereldhandelsvolume. De toegenomen exportmogelijkheden hadden een gunstig effect op de produktiegroei in de wereld: de produktie steeg in die zelfde periode met gemiddeld bijna 8 procent per jaar.

Zo'n groei-impuls kan de wereldeconomie ook op dit moment goed gebruiken. In de Verenigde Staten wil het economisch herstel maar niet van de grond komen. De Japanse economie zit in het slop en ook in Europa is somberheid troef. Een nieuw GATT-akkoord kan de wereldeconomie vlot trekken. De GATT mag er dan in zijn geslaagd de invoerrechten op goederen flink te verlagen, er valt nog heel wat meer te doen aan een vrijere wereldhandel.

In de loop van de jaren tachtig hebben landen allerlei slimme manieren ontdekt om onder de GATT-regels uit te komen. Een voorbeeld daarvan zijn de Vrijwillige Export Beperkingen (VEB's). Zo leggen de Japanse autofabrikanten hun export naar de Verenigde Staten vrijwillig aan banden. Nou ja, vrijwillig - ze moeten wel. Want als ze het niet doen, kunnen ze rekenen op stevige strafmaatregelen van de Amerikaanse overheid. Op dit soort praktijken hebben de huidige GATT-afspraken nog geen vat. Dat moet anders worden in de toekomst; zo ver waren de besprekingen in het kader van de Uruguay-ronde al gevorderd.

Bovendien zijn er gebieden waarop de GATT-regels nog niet van toepassing zijn. Ook hierin wil de Uruguay-ronde verandering brengen. Een paar voorbeelden: de internationale handel in diensten en de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (octrooien, auteursrechten en dergelijke). En dan is er natuurlijk nog die slepende kwestie van de landbouwsubsidies. Aanvankelijk hadden de Verenigde Staten daarin een keihard standpunt ingenomen: Europa moest zijn concurrentievervalsende landbouwpolitiek opgeven. Stukje bij beetje zijn de Amerikanen daarin wat toeschietelijker geworden. Niets leek een compromis meer in de weg te staan.

Een voorzichtige schatting leert dat een nieuw GATT-akkoord de wereld een voordeel zou opleveren van jaarlijks ten minste 120 miljard dollar. Op de langere duur zou dat voordeel zelfs nog een stuk groter kunnen uitvallen. Als Frankrijk blijft volharden in zijn nee, is dat structureel een slechte zaak voor de wereldhandel. Maar ook conjunctureel zou het slecht uitkomen. Als het conflict tussen Europa en Verenigde Staten uitdraait op een handelsoorlog, wordt iedereen daar slechter van. En dat terwijl de wereldconjunctuur er al zo beroerd voor staat. Moeten we dat riskeren voor 500.000 ton koolzaad?

    • Jan Pleus