Het nationale ik-tijdperk

Terwijl op andere plaatsen het debat over de "illegalen' voortging is in de Tweede Kamer een woord gevallen dat we lang niet hebben gehoord: gidsland. Nederland was gidsland bij het verlenen van ontwikkelingshulp, het stelde anderhalf procent van zijn netto nationaal inkomen beschikbaar en zodoende "liep het voorop', het gaf de rest van de wereld een voorbeeld. De "gidslandfunctie' was misschien wel een onderdeel van de buitenlandse politiek maar daarvan gescheiden omdat de solidariteit met de Derde Wereld en niet het Nederlands belang tot leidend beginsel diende. Het typisch nationale begrip "zorg' was door Nederland verheven tot een kategorische imperatief voor de hele welvarende wereld. Dit heeft in de loop der jaren veel schampere kritiek veroorzaakt - "het financieren van gouden bedden' - en de verdedigers is vaak arrogantie, naïviteit en betweterij verweten. Daardoor zijn vaak bewonderenswaardige prestaties in de schaduw gebleven. Een geschiedenis van Nederland als gidsland is nog niet geschreven; een beredeneerd oordeel ontbreekt.

Voor wie zo'n geschiedenis zou willen schrijven is nu een goed ogenblik aangebroken. De anderhalf procent is door de Tweede Kamer met instemming van minister Pronk geschrapt. Een opmerkelijk begonnen tijdvakje is niet met een revolutionaire beslissing afgesloten; het is uitgedoofd. De oorzaak daarvan is, op het eerste gezicht, niet dat Nederland zich minder voorbeeld zou voelen, of dat het gedaan is met ons "begrip' voor de noden der arme volken, uitgedrukt in een vast jaarlijks percentage. De "gidslandfunctie' is een produkt van de jaren zestig, en vervolgens is er steeds minder over gesproken. Het kwam erop neer dat de "gidslandfunctie' op den duur volgens een typisch Nederlandse techniek werd "gedoogd'. Weinigen wilden zich er nog voor inspannen, velen vonden het te lastig om er een eind aan te maken.

Nu hebben kabinet en Kamer plotseling en vrijwel eendrachtig de oplossing gevonden: de besteding van het budget is "vervuild', dat wil zeggen het geld wordt nog wel besteed aan goed zaken maar niet aan die goede zaken waarvoor het was bestemd. Het aantal goede zaken is niet verminderd, maar de boekhouding klopt niet meer. Vandaar. Het is prijzenswaardig dat men zich weer wil houden bij de plannen, dat men de "vervuiling' bestrijdt en er scherper op toeziet dat de kas blijft kloppen. Maar of degenen aan de ontvangende kant van de ontwikkelingshulp het helemaal zullen begrijpen? Dat is de vraag niet meer.

Is het toeval dat het ongeduld met de "illegalen' aan de dag treedt in ongeveer dezelfde periode waarin er behoefte ontstaat om de "vervuiling' in de ontwikkelingshulp te bestrijden? Er is een tijd geweest waarin de buitenlandse arbeiders met open armen werden ontvangen; ongeveer dezelfde jaren waarin het internationaal idealisme over de Nederlandse buitenlandse politiek vaardig werd. Dat was voor de eerste oliecrisis. De Koude Oorlog was, achteraf bezien, over zijn hoogtepunt heen, de fronten lagen vast, de coëxistentie wekte de illusie dat het met de Derde Wereldoorlog zo'n vaart niet zou lopen en de welvaart steeg. Het was, met alle dreiging die door de Koude Oorlog werd veroorzaakt, en in alle betrekkelijkheid, een periode van luxe. Daarin kon een welvarend land als Nederland, met de zojuist ontdekte natuurlijke rijkdom van de grote gasbel, zich het één en ander veroorloven: buitenlandse arbeid voor het vuilste werk zowel als een voorbeeldige solidariteit met minder bedeelde volken aan een andere kant van de aarde. Het was niet zo moeilijk, op internationale schaal het nobele voorbeeld te geven.

Na de Koude Oorlog is in Oost en West binnen enkele jaren het primaat van de binnenlandse politiek aangebroken. In het Oosten heeft het tot de gelijktijdige ontdekking van de economische puinhoop en de herontdekking van het nationalisme geleid. In het Westen is ook een soort nationalisme herontdekt, terwijl wij er niet in zijn geslaagd, de oorlogsinspanning tot vredesinspanning te herleiden. In de mislukkingen, de aarzelingen en de groeiende chaos van de nieuwe vredestijd dopt ieder land zijn eigen boontjes. Daarom hebben de Amerikanen Bill Clinton gekozen, herzien bij ons kabinet en Kamer de ontwikkelingshulp en kermt het voormalige gidsland (welvarender dan twintig jaar geleden) als er "illegalen' arriveren die het niet wil hebben.

Dat de vroegere vijanden na zich veertig jaar op hun buitenlandse politiek te hebben geconcentreerd aandacht voor zichzelf krijgen, viel te verwachten. Die verwachting is dan ook hier en daar uitgesproken. Met dezelfde zekerheid valt nu te voorspellen dat het Westen zich in deze herontdekking van zichzelf, deze nationale en nationalistische "beleving' van het ik-tijdperk niet blijvend zal kunnen verdiepen.

De "gidslandfunctie' komt niet terug. Solidariteit, op die manier beleden, is geen vervanging van buitenlandse politiek en afschaffing veroorzaakt dus geen hiaat. Dat hiaat was er al. Niet alleen Nederland maar het Westen in zijn geheel heeft op het ogenblik tegenover de enorme vraagstukken van na de Koude Oorlog op zijn hoogst een rudiment van buitenlandse politiek, dat wil zeggen een dienovereenkomstig groot gebrek waarvan onze preoccupaties van deze week kleine symptomen zijn.