Het en-en-probleem (2)

Los Angeles - President Bush had de verkiezingen gewonnen als hij twee fouten had vermeden: als hij zich 1) niet had laten aanpraten dat hij zich als een beledigende macho moest gedragen en zich 2) niet had verkeken op de waardering van het Amerikaanse volk voor het traditionele gezinsleven. Die opvatting hoorde ik dezer dagen ventileren door een functionaris uit Washington, die behoort tot de kring van persoonlijke presidentiële benoemingen.

Het flink en grof doen was van het begin af aan een ramp, vertelt deze medewerker, die de president de laatste jaren van nabij heeft gevolgd. “Hij is in werkelijkheid een aardige, voorkomende man, die ook intern mensen nooit "bozo' (charlatan, gezegd over Clinton) zou noemen of met de hond vergelijken ("My dog Millie knows more about foreign politics than these guys')”.

De betrokkene herinnert zich een voorval dat illustreert hoe Bush volgens hem echt is. De president van Mexico was op bezoek. In de rozentuin van het Witte Huis stond het gebruikelijke peloton personeel gereed om beide staatslieden een applausje te bezorgen en hen in de gelegenheid te stellen wat te lachen en te zwaaien en een korte verklaring voor de televisiecamera's af te leggen.

Bush, ongeveer 1.90 meter lang, was eerst. Daarna zou Salinas wat zeggen, in het Spaans. Hij had een vrouwelijke tolk bij zich die aanzienlijk kleiner van stuk was dan de Amerikaanse president. De vrouw was onverstaanbaar, de microfoon stak fier boven haar kapsel uit. Terwijl de hele wederzijdse entourage aan de grond genageld toekeek, kroop de president van de Verenigde Staten op zijn knieën achter het katheder om de weerbarstige microfoon-staaf naar beneden te draaien.

Het voorval getuigt van eenvoud en behulpzaamheid. Bovendien geen spoor van vrouw-onvriendelijkheid. Toch was zijn gehamer op het thema van de family values een Amerikaanse vertaling van de kreet dat het enige recht van de vrouw het aanrecht is. De veronderstelling van Bush en zijn campagne-staf dat een aanzienlijk deel van het Amerikaanse electoraat van mening zou zijn dat het wel welletjes is met de emancipatie, bleek een bewijs dat hij zijn volk verkeerd aanvoelt.

Oppervlakkig gezien was de gok niet zo gek. In de bestseller The Backlash (1991) voert Susan Faludi een lawine van argumenten en voorbeelden aan om aan te tonen dat het feminisme in Amerika langzamerhand in de verdediging is gedrongen. Wat bereikt is, wordt teruggedraaid. In wetenschap en praktijk zouden steeds meer feilen van de moderne samenleving worden geweten aan de militante strijd van vrouwen voor gelijke rechten. Het feminisme zou er niet van terug hebben.

Dat is overigens onzin, volgens de even felle schrijfster Camille Paglia. In haar recente Sex, Art and American Culture maakt zij korte metten met die somberheid over de succeskansen van het feminisme. De feministe van het eind van deze eeuw is speels, brutaal zoals in de jaren zestig, en zeurt niet modieus bezorgd over date rape - zij weet wat er te koop is, en als zij niet wil dan is zij er zelf bij om dat haar begeleider duidelijk te maken.

Toen Bush en zijn omgeving hun strategie bouwden op vlaggend en bijbellezend Amerika was Paglia's boek nog niet uit. En zij zouden het niet gelezen hebben, tenzij Hillary Clinton het ergens gunstig besproken had. Want dat was het aardige van de voorbije campagne: in de dames Bush, Quayle en Clinton meenden de Republikeinen drie ideale rolpatronen te hebben ontdekt om hun gelijk te halen.

Barbara Bush was in deze sterk vereenvoudigde beeldvorming de trouwe en wijze huismoeder van de vorige generatie, wel op college gezeten maar niet afgemaakt om George te kunnen bijstaan. Marilyn Quayle heeft weliswaar als juriste gewerkt nadat zij kinderen had gekregen, maar zij is opgehouden met praktizeren toen Dan's carrière het gezin naar Washington voerde. En dan Hillary Clinton, die volgens sommigen slimmer is dan haar man, die tot een laat stadium in de advocatuur is gebleven - en toch mee campagne bleef voeren nadat bekend (en in kleinere kring erkend) werd dat haar man één of meer vriendinnen had gehad: wat een brandende ambitie om dan toch mee te willen doen, was de suggestie.

Met hun twee dames konden Bush en Quayle demonstreren wat Amerikaanse vrouwen over moeten hebben voor een veilig, normaal Amerika, zonder gebroken gezinnen en criminaliteit. "De sleutel-kinderen van het soort mensen als de Clintons groeien op voor galg en rad', was de fijnzinnige implicatie. Terwijl Chelsea Clinton met haar beugel en onhandig krullend haar eruitziet als de zoetste puber van Little Rock.

De Amerikaanse kiezers hebben Bush & co ongenadig van repliek gediend. Uit de enquêtes, die op de verkiezingsdag werden gehouden onder mensen die net hadden gestemd, bleek dat de economie en de economie de twee belangrijkste factoren waren die de keuze hadden bepaald. "Gezinswaarden' was maar voor een procent of tien van de stemmers van groot belang.

Bush had het kunnen weten. In het november-nummer van American Demographics beschrijft Jill Grigsby de aanzienlijke verschuivingen die zich de laatste veertien jaar hebben voorgedaan in het man-vrouw-beeld van het Amerikaanse volk. Kort gezegd: conservatieven hielden er in 1991 opvattingen over het gezin op na die in 1977 links waren. Met of zonder inspiratie van het feminisme is het merendeel van de Amerikanen het als normaal gaan beschouwen dat vrouwen en moeders werken. Daar moeten ook veel Republikeinen bij zijn.

De stelling "Het is beter voor alle betrokkenen dat de man degeen is die buiten de deur presteert en de vrouw zorgt voor huis en gezin' werd in 1977 door 65 procent van de ondervraagden in het General Social Survey gesteund; vorig jaar was dat percentage gezakt tot 44. "Het is belangrijker voor een vrouw haar man bij zijn carrière te helpen dan er zelf één te hebben': in 1977 was dat waar voor 55 procent, in '85 voor 36 procent en in 1991 nog maar voor 29 procent van de Amerikanen.

Ook in Amerika zijn het vooral de vrouwen die werk en gezin, onder toezicht van een permanent schuldgevoel, trachten te combineren. Het en-en-probleem is er niet principieel anders dan in Nederland.

Jill Grigsby, hoogleraar demografie aan Pomona College, even ten Oosten van Los Angeles, zegt: “Wij Amerikanen zijn zekerder geworden van onze waarden, maar de toepassing ervan valt nog tegen”. Haar man, de socioloog John Light, vult aan: “Het blijft een guerrilla binnen ieder huwelijk”.