Hans van Leeuwen neemt afscheid van tekeningencollectie

Veiling 'The Hans van Leeuwen Collection.' 24 nov, 10u30. Christies, Cornelis Schuytstraat 57, Amsterdam. Kijkdagen 19, 20, 22 en 23 nov 10u-16u.

Bij het veilinghuis Christie's in Amsterdam beginnen morgen de kijkdagen van de collectie oude tekeningen van verzamelaar Hans van Leeuwen. Het "allerergste' zou zijn, zegt hij, als straks die nieuwe eigenaren zijn bladen zomaar aan de muur zouden hangen.

Verzamelaar Hans van Leeuwen is zichtbaar aangedaan als de aanstaande veiling van zijn collectie tekeningen ter sprake komt. Hij vindt het afschuwelijk, zegt hij, om de ruim vierhonderd Vlaamse en Hollandse tekeningen die hij sinds 1945 bij elkaar heeft gebracht, over verschillende eigenaren versnipperd te zien raken. Maar Van Leeuwen (1911), voor zijn pensionering directeur van het Concertgebouworkest in Amsterdam en het Utrechts Symfonie Orkest, ziet de noodzaak van verkoop wel in. “Ik heb een trefbare leeftijd en vrees dat de collectie zonder beheerder komt te zitten,” zegt hij. Een museum kon hij niet interesseren voor zijn gehele verzameling. Men had geen geld of wilde, aldus Van Leeuwen, “alleen de krenten uit de pap.”

De meeste aandacht op de veiling zal uitgaan naar de zestiende- en zeventiende-eeuwse topstukken, zoals een grote krijttekening van Hendrick Goltzius, een studie van putti's door Abraham Bloemaert of een prachtig zicht vanaf de Schinkel op de Overtoom door Claes Jansz. Visser. Als richtprijzen worden bedragen genoemd tussen de zeshonderd en de 250.000 gulden.

Van Leeuwen is echter begonnen met het verzamelen van tekeningen uit de internationaal minder in aanzien staande achttiende en vroeg-negentiende eeuw. “Mijn belangstelling ging uit naar de periode die ik in de muziek goed ken. Met Bach, Schumann, Schubert en ook met Debussy en Ravel had ik als directeur van het Concertgebouworkest dagelijks te maken. Mijn hele denken was gebed in de tijd van die componisten. Van lieverlee raakte ik geïnteresseerd in de omstandigheden waaronder mensen in de achttiende en negentiende eeuw leefden, in het landschap dat men om zich heen zag, de huizen waar men in woonde, het gereedschap dat men gebruikte, de voertuigen waarmee men op reis ging.”

Van Leeuwen beperkte zich op zijn verkenningstocht door de beeldende kunst tot Nederland en Vlaanderen, omdat hij zich daar het meest verwant mee voelde. “Hoe mooi een Italiaanse tekening ook kan zijn, ik heb meer affectie met de onderwerpen die Van Ostade, Cuyp of Potter verbeeldden. Dat is het land van mijn voorouders,” zegt hij. Hulp en advies kreeg hij vooral van het Kunsthistorisch Instituut in Utrecht en het Prentenkabinet in Amsterdam.

De Van Leeuwen-verzameling breidde zich langzamerhand uit terug in de tijd, naar de zeventiende en zestiende eeuw. “Er was de drang om contact te leggen tussen het oude en het nieuwe,” zegt Van Leeuwen. Toch waren de jaren zeventig en tachtig eigenlijk al niet meer de juiste jaren om als particulier oud-Hollandse tekeningen te kopen. Daarvoor waren de prijzen te zeer gestegen. Tekeningen als die van Hendrick Goltzius, van italianisanten als Bartholomeus Breenbergh, Jan Asselijn en Nicolaes Berchem noemt Van Leeuwen dan ook "toevalstreffers', die hij voor relatief weinig geld kon kopen.

De Van Leeuwen-collectie is altijd als gesloten geheel bedoeld en als zodanig ook bestudeerd door studenten in binnen- en buitenland. De verzameling bevat veel tussenfiguren: kleine meesters, leerlingen en navolgers die het verband leggen tussen grote meesters, of die kenmerkend zijn voor een bepaalde school - de Utrechtse of de Dordtse bijvoorbeeld.

De grote stilistische lijn door de Hollandse en Vlaamse geschiedenis raakt door de veiling van volgende week verstoord. Maar dat is niet hetgeen Van Leeuwen nu nog de meeste zorgen baart. “Wat ik het allerergste zou vinden, is als straks zo'n snel en rijk type een van mijn tekeningen koopt en deze aan de muur ophangt. Geen enkele oude tekening hoort aan de muur en dus ook die van mij niet. Binnen tien jaar zou er niets meer van over zijn.”