De dierbare petomaan

Honderd jaar geleden, in 1892, kreeg Monsieur Zidler - uitbater van het befaamde "établissement de plaisir' Le Moulin Rouge in Parijs, hét centrum van de Montmartriaanse vermaaksindustrie gedurende de Belle Epoque - bezoek van een enigszins sombere, bleek ogende man die beweerde dat hij over een bijzondere gave beschikte. Op de vraag van Zidler welke gave dat dan wel mocht zijn, moet de man hebben geantwoord: “Wel, ziet u, mijnheer, ik heb een eh... aarsopening die ademt.”

“Werkelijk?” vroeg Zidler.

“Jazeker, ik kan mijn anus op commando openen en sluiten. Hierdoor ben ik in staat om allerlei natten en sappen in grote hoeveelheden tot mij te nemen.”

“U bedoelt, dat u met uw achterste drinkt? Wat kan ik u te drinken aanbieden?”

“Heeft u misschien een grote teil met water?”

“Eh... u bedoelt mineraalwater?”

“Nee, dank u, gewoon leidingwater graag.”

De man, die Joseph Pujol heette en een grote Willem II-snor droeg, ging met ontblote billen in de teil zitten. Korte tijd later was de tobbe leeg. Ook kon hij met zijn achterste elk gewenst geluid imiteren. In rode mantel en zwarte satijnen rijbroek presteerde Pujol het zelfs om, gelukkig op veilige afstand, op unieke wijze een brandende kaars uit te blazen. Zidler was met stomheid geslagen en bood de man een langdurig contract aan: voor de Petomaan, de man die een kunst had gemaakt van het laten van winden, lag een glanzende carrière in het verschiet.

Het is grotendeels dankzij zijn oudste zoon Louis-Baptiste Pujol dat de belangrijkste anekdotes over de Petomaan bewaard zijn gebleven. “Ik zweer op de bijbel en op mijn vaders as dat hetgeen ik hier beweer werkelijk gebeurd is”, zo verklaart Louis-Baptiste in een verzameling verhalen over de Petomaan die zo'n vijfentwintig jaar geleden door Jean Nohain en F. Caradec zijn opgetekend.

Joseph Pujol werd op 1 juni 1857 uit Catalaanse ouders geboren. Zijn vader François was metselaar en beeldhouwer. Nóg zijn in het Palais Longchamp in Marseille enkele van zijn kunstwerken te zien. Joseph, de oudste van vijf kinderen, verliet op zijn dertiende de school om bakker te worden. Hij kreeg een winkel in het stadskwartier Saint Charles Chuttes-Lavien in Marseille, op de hoek van een straat die nu zijn naam draagt, Rue Pujol. Zijn huwelijk met Elizabeth Henriette Oliver in 1883 was zeer vruchtbaar: er werden tien nakomelingen geboren. Al die tijd bleef Pujol brood bakken, maar in de avonduren stond hij het liefst op de planken: als zanger en trombonist in het varietétheater.

Pujol wist al heel lang dat hij over een bijzonder talent beschikte. Als kind had hij eens in zee gezwommen toen zijn maag zich plotseling met water vulde. Van schrik stoof de jonge Pujol uit zee, daarbij een lang waterspoor achterlatend. Toen hij eenmaal aan dit verschijnsel gewend was geraakt, ontdekte Pujol dat hij zoveel water kon opnemen als hij maar wilde en hij het ook weer snel kon lozen, een behendigheid die hij in militaire dienst graag aan zijn maten demonstreerde.

Zijn buikwinden klonken zelfs zo muzikaal dat vrienden Pujol adviseerden om zijn kunsten op het podium te vertonen. Na lang aarzelen waagde de Fransman een optreden in een etablissement aan Boulevard Chave. Het duurde niet lang of heel Marseille had van de Petomaan gehoord, een naam die hij zélf had verzonnen.

Na optredens in Bordeaux, waar artsen hem onderzochten, nam Pujol in 1892 de wijk naar Parijs. Voor Le Moulin Rouge aan Place Blanche in het 18de arrondissement stond hij even stil. Straks zouden de wieken van de molen voor hém draaien, droomde Pujol.

Pujol begon zijn voorstelling in Le Moulin Rouge meestal met een reeks "imitaties', rookte via zijn derrière een sigaret die hij aan het uiteinde van een lange rubberen slang had bevestigd (om de geïnhaleerde rook via de mond weer uit te blazen!) en speelde met behulp van zijn sluitspieren op een kinderfluitje melodieën als "Le Roi Dagobett' en "Au Clair De La Lune'. Het waren hoogtijdagen voor Pujol, die met zijn gezin een villa in Saint Maur des Fosses betrok, bedienden in huis nam en zich in een Engelse karos door Parijs liet rondrijden.

Pujol gaf ook optredens in besloten kring. Trad hij alleen voor heren op, dan verscheen hij doorgaans in zwarte pantalon met doorkijkgat, opdat men eigenhandig kon controleren dat er geen bedrog in het spel was. Een van zijn grootste bewonderaars was overigens Leopold II, koning der Belgen, die vaak incognito in Parijs verbleef. Pujol was op zijn beurt graag in het buitenland. Hij maakte furore in Madrid en Noord-Afrika.

“De Petomaan paste zich aan elk milieu aan”, schreef Eugène Fourrier. “Met een geleende monoloog van de Comédie Française wist hij elk publiek te bespelen. Hij was discreet onder de beau monde, joviaal met de bourgeoisie, serieus met parlementariërs. In de provincie werd hij bedolven onder bloemen. Ook bood men hem steevast een stevige bonenmaaltijd aan.”

In 1895 nam de Petomaan afscheid van Le Moulin Rouge nadat hij door Monsieur Oller, directeur van Le Moulin Rouge en het theater Olympia, voor de rechter was gesleept omdat hij zonder toestemming op de markt zijn kunsten zou hebben vertoond. Pujols opvolger, een zekere Angele Thiebeau, werd als huichelaarster ontmaskerd: zij had stiekem een paar blaasbalgen onder de rokken gestopt.

Tien jaar lang trok Pujol met zijn Théâtre Pompadour door Frankrijk; daarna sloeg het noodlot toe. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden vier van zijn zoons aan het front geroepen. Een werd gevangengenomen, twee andere werden blijvend invalide. Pujol trok zich dit zo aan dat hij besloot zich uit het artiestenbestaan terug te trekken. Vanaf 1922 stond hij weer in zijn bakkerij in Marseille en in de haven van Toulon liet hij een biscuitfabriekje bouwen. Zijn laatste adem blies hij uit in 1945, kort na de landing van de geallieerden in Normandië.

De Petomaan werd begraven op het kerkhof van La Valette in het departement Var aan de Middellandse Zee. De faculteit voor geneeskunde van de Universiteit van Marseille bood het gezin Pujol 25.000 franc om zijn lichaam na zijn dood te kunnen onderzoeken, maar de familie weigerde. “Onze vader zou het zelf maar al te graag gewild hebben”, schrijft zoon Louis-Baptiste. “Maar wij hebben het niet willen toestaan, ontsteld als we waren over het verlies van zo'n dierbare man.”

    • Jan Libbenga