Boekhouder en wereldverbeteraar

DE MINISTER VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING; J.P. PRONK (PvdA) Begroting 6.565 miljard Aantal ambtenaren: ongeveer 1200 Beleidsdocument: "Een wereld van verschil'

Drie jaar oud is het kabinet Lubbers/Kok, tijd voor een tussenbalans. Vandaag het zevende deel uit een serie evaluerende portretten: J.P. Pronk, minister van ontwikkelingssamenwerking.

DEN HAAG, 18 NOV. In de lome hitte van de tropische avond deed Jan Pronk er nog een schepje bovenop. Hij holde een eenentwintigst rondje, week even van het pad af en viel languit over een ijzeren ketting die laag boven de grond gespannen was, vlak buiten het hotel in Gabarone, Botswana. Kapotte bril en een grote jaap boven zijn rechter wenkbrauw. Met pleisters op zijn voorhoofd kwam hij, enkele weken geleden, terug van de bijeenkomst van de Wereldwijde Coalitie voor Afrika.

Even struikelen en opveren. Het was de laatste maanden een vertrouwd beeld. Toen Pronk in 1989 voor de tweede keer aantrad en snel zijn 521 pagina's tellende nota "Een wereld van verschil' indiende, schreef deze krant in een hoofdartikel: “De vraag is of Nederland wel in staat is om deze vergaande plannen voor een eigen ontwikkelingsbeleid in dat wereldwijde dorp waar Pronk van spreekt ook van kracht te laten zijn. Conclusie na lezing van dit magnum opus: Pronk II is heel anders dan Pronk I, maar het blijft Pronk.”

Zelf moest hij enige maanden later toegeven dat door de omwentelingen in Oost-Europa zijn nota achterhaald was. Toch hield hij vast aan zijn prioriteiten. Zijn ambtenaren liepen met lange lijsten door de dessa's en laagvlakten om te zien of de projecten wel beantwoordden aan Pronks nieuwe eisen. Waren zij goed voor het milieu, verbetering van de positie van de vrouw, bestrijding van armoede en bevordering van onderzoek en technologie? Die strikte eisen leidden vaak tot lange wachttijden voor goedkeuring.

Half september was slechts 47 procent van het beschikbare geld uitgegeven en het is zeer de vraag of Pronk erin slaagt dit jaar nog de 6,4 miljard gulden van zijn begroting geheel te besteden. Bovendien heeft hij de accountants op zijn nek. Over de uitgaven van 1991 wilden zij geen instemmende verklaring geven. Een groot aantal ambtenaren op het ministerie is nu druk bezig om voldoende oude rekeningen te vinden om hen tevreden te stellen. Daardoor komen zij niet aan hun echte werk toe en stagneert de verlening van toestemming voor projecten. Het is een erfenis van jaren, ook van ver vóór Pronks tweede aantreden op Ontwikkelingssamenwerking. De moeilijkheid is dat de strikte taakopvatting van Nederlandse accountants in het gros van de ontwikkelingslanden onbekend is.

"Waar voor je geld', roepen de Kamerleden in koor. Maar dat is met de prioriteiten die Pronk bij projecten stelt moeilijk te verifiëren en zeker niet op korte termijn. Hoe kun je in enkele maanden het effect meten van de Nederlandse hulp op de emancipatie van vrouwen?

Zelf legt hij de nadruk op het principe van "good governance', de verplichting van regeringen van landen in ontwikkeling om orde op zaken te stellen. Maar tegelijkertijd erkent hij dat donorlanden moeilijk op de stoel van die regeringen kunnen gaan zitten om te controleren hoe het geld terecht komt.

“Zijn tegenslag is dat de economische moeilijkheden ook terugslaan op zijn eigen begroting. Dat heeft hij niet zien aankomen. De steun voor hulp aan de Derde wereld is weliswaar niet afgenomen, meer en meer komt de vraag bij het publiek op wat er met het geld wordt gedaan. Door de bevlogenheid die heerste en onze gevoelens van schuld werd die vraag lange tijd verdrongen”, zegt een van zijn medewerkers. “Pronk gaat tot het uiterste, maar als hij ziet dat hij het niet haalt, bindt hij op het allerlaatste moment in. Wie had kunnen denken dat hij instemt met het loslaten van de heilige norm van 1,5 procent van het Nationale Inkomen voor Ontwikkelingssamenwerking? Dat hij betaalt voor onderwijs, zorgsector, asielzoekers, transportvliegtuigen? Hoe leg je zijn pleidooi uit voor meer geld voor Defensie, terwijl hij twee jaar geleden nog de interventie in de Golf en het Amerikaanse militaire optreden afkeurde?”

Dit voorjaar sprak het CDA van een "bungelende' minister toen Indonesië de hulprelatie met Nederland opzegde. Pronk zou de Indonesiërs door zijn optreden en uitspraken bovenmatig hebben geïrriteerd. De ingreep van president Soeharto was een zware slag voor Pronk, want in Indonesië ging het goed met ontwikkelingshulp en met het land had hij een bijzondere relatie.

Na de nederlaag trok hij er weer op uit. Naar Cambodja waar 80 niet-gouvernementele organisaties op jacht waren naar projecten en waar hij de Nederlandse mariniers activeerde om ontwikkelingsprojectjes op zich te nemen. Naar Somalië, waar tienduizenden kinderen om het leven kwamen door hongersnood en waar hulpacties door de burgeroorlog haast onmogelijk werden. Even viel het masker. In de Tweede Kamer toonde hij zijn emotie: “Het is zo erg”, zegt hij, veegt met zijn hand door zijn ogen en vraagt om een slokje water.

Ter plekke komt hij tot de volle overtuiging dat het zinloos is zomaar hulp te geven als er niet van enige orde sprake is. De Verenigde Naties zullen, zo zegt hij bij terugkeer op Schiphol, in die gebieden waar wanorde heerst beter in staat moeten zijn met politieacties op te treden met een mandaat van de Veiligheidsraad. Met andere wijze mannen wordt hij door de secretaris-generaal van de VN, Boutros Ghali, uitgenodigd om adviezen te geven over hervorming van de wereldorganisatie.

En tussen al die wereldreizen door geeft hij strikte opdrachten aan zijn ambtenaren om voor eens en altijd de boeken in orde te maken op Ontwikkelingssamenwerking. Daarvoor kiest hij een zeer kordate toon die niet echt goed valt. Hij wil dat de "good governance' die hij elders toegepast wil zien ook in eigen land geldt.

Tegelijkertijd let hij tijdens zijn werkdagen van veertien uur inclusief de zaterdag nauwgezet op de koers van de Partij van de Arbeid. Juist op het terrein van buitenlands beleid, mensenrechten, illegalen, hulprelaties, milieu, Oost-Europa wil hij dat zijn partij zich sterker profileert. Als tweede man naast Wim Kok weet hij de kloof te overbruggen tussen het gewenste idealisme voor de partij en het pragmatisme van haar leider.

Ook in het kabinet roert hij zich, misschien minder dan in zijn eerste periode en ook niet op zoveel verschillende terreinen. “Hij kan ons nog steeds beleren, zijn colleges zijn lang en soms niet helemaal te volgen door de woordenvloed. Maar Jan Pronk is erbij, scherpzinning en alert, aangejaagd door zijn linkse geweten maar, nu de wind wat draait, behendig en praktisch. Dat laatste is wennen bij Jan”, zegt een collega, “maar zijn positie wordt er wel sterker door.”

Bij terugkeer uit Genève in 1985 had Pronk moeite om op de lijst van de PvdA te komen. Halverwege zijn ministerschap is hij in feite de tweede man van zijn partij geworden, waker over de ideologie en een geslepen politiek "survivor'.

    • Willebrord Nieuwenhuis