Bevolkingsproblematiek noopt tot grotere financiële inspanningen; Vanzelfsprekend is de grote bevolkingstoename vooral ook een gevolg van structurele armoede

De wereldgemeenschap staat demografisch gezien voor een immense uitdaging. Elk jaar komen er meer dan 95 miljoen mensen bij op de aarde. Dat staat gelijk aan de bevolking van Frankrijk en Spanje tezamen. Al over zes jaar, in 1998, kunnen we de zes miljardste wereldbewoner begroeten, slechts elf jaar na de vijf miljardste in juni 1987. Een historisch record. En de groei is er ook daarna nog lang niet uit.

Nog ten minste een eeuw zal de wereldbevolking in omvang toenemen, tot een niveau van tussen de elf en veertien miljard mensen. Zo luidt althans de voorspelling van de VN. Verreweg het grootste deel van de groei zal zich voordoen in ontwikkelingslanden, juist de landen die het minst in staat zullen zijn de aanwas te absorberen in termen van gezondheidszorg, scholing, werkgelegenheid en voedselvoorziening. Daarnaast wordt het effect van veel ontwikkelingsinspanningen (goeddeels) teniet gedaan door een bevolkingsaanwas die structureel onmogelijk kan worden opgevangen. In vele Afrikaanse landen is het onderwijs nu al vrijwel volledig in elkaar gezakt. Het is eenvoudig ondenkbaar dat nog grotere aantallen kinderen ook maar een minimale vorming zullen kunnen krijgen.

Vanzelfsprekend is de grote bevolkingstoename in de derde wereld niet alleen een oorzaak maar vooral ook een gevolg van structurele armoede. De bevolkingsproblematiek kan dan ook niet gesoleerd worden aangepakt. Maar dat maakt goede programma's voor gezinsplanning minder noodzakelijk. Als alle vormen van aanpak van armoede op elkaar moeten wachten, gebeurt er nooit iets.

In zijn nota Een Wereld van Verschil (1990) erkende Minister Pronk dan ook dat er grote risico's verbonden zijn aan zowel de huidige omvang, als de groei van de wereldbevolking. Daarbij refereerde hij met name aan de milieuproblematiek in ontwikkelingslanden. Ongetwijfeld maken bevolkingsfactoren, een aantal milieuproblemen op z'n minst een stuk complexer. Mede vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling vindt de minister een verdergaande afname van de bevolkingsgroei dan ook meer dan wenselijk.

Politiek gezien, is de relatie tussen bevolkingsfactoren aan de ene kant en verschillende vormen van milieuaantasting aan de andere kant evenwel allerminst onomstreden. Dat bleek onlangs nog tijdens de grote VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED) in Rio de Janeiro, toen een aantal ontwikkelingslanden, daarbij gesteund door de nimmer aflatende lobby van de katholieke kerk, met succes elke discussie over de relatie tussen bevolkingsgroei en milieudegradatie wist te voorkomen. Hoewel ontwikkelingslanden hier goede politieke redenen voor hadden (immers de VS weigerden onder andere te praten over de verkwistende en vervuilende "American Way of Life'), is deze gang van zaken zeer te betreuren. Een wereldgemeenschap die de mond vol heeft van "duurzame ontwikkeling' kan en mag ook een debat over de bevolkingsproblematiek niet uit de weg gaan.

Nu wegens de milieuproblematiek wordt geroepen om krachtige bevolkingsprogramma's is de zorg bij vrouwengroepen in Noord en Zuid over een mogelijke terugkeer van wat kan worden genoemd de "population control'- mentaliteit heel begrijpelijk. In de jaren '60 en '70 werden vrouwen onder het mom van de alarmerende bevolkingsgroei en milieudegradatie in een aantal landen geprest tot het gebruik van voorbehoedsmiddelen. De angst is reëel dat programma's met demografische doelen als enig uitgangspunt, direct zullen indruisen tegen de belangen van vrouwen en dat vrouwen zullen worden gedwongen tot deelname aan dergelijke programma's.

Het dilemma schuilt hier in de vermeende kloof tussen individuele belangen (micro-niveau) en de demografische lange termijn doelstellingen (macro-niveau). Dat dilemma is minder groot dan vaak wordt verondersteld, wanneer de uitgangspunten van bevolkingsprogramma's worden bijgesteld. Nog altijd prevaleren in veel nationale bevolkingsprogramma's de macro-doelstellingen, vertaald in een verlaging van de bevolkingsgroei, boven de micro-belangen. Dit heeft vaak averechtse gevolgen en is bovendien volstrekt onnodig. Immers, nog steeds heeft wereldwijd zo'n 20 procent van de echtparen in de vruchtbare leeftijd, ofwel 300 miljoen echtparen, niet eens de beschikking over informatie over en de middelen voor gezinsplanning.

Dit cijfer zou nog hoger uitvallen als ook tieners en alleenstaanden zouden worden meegenomen in de berekeningen. Uit onderzoek blijkt dat zelfs het vervullen van uitsluitend de reeds bestaande behoeften aan methoden voor gezinsplanning (micro-niveau) al zeer gunstige demografische consequenties (macro-niveau) zou hebben. Tijdens een Family Planning Congress in New Delhi, vorige maand, toonde de Amerikaan Steven Sinding van The Rockefeller Foundation aan dat wanneer gezinsplanningprogramma's slechts 85 procent van de bestaande, nog onvervulde, behoeften aan anticonceptiemiddelen, via kwalitatief goede dienstverlening zouden kunnen bevredigen, de lage bevolkingsgroei-prognoses van de VN nog voor het jaar 2000 zouden kunnen worden gehaald. Daarmee zou een stabilisatie van de wereldbevolking optreden tegen het jaar 2050 bij een aantal van 11 miljard. Dat is enkele miljarden lager dan bij voortzetting van de huidige groeitrends.

Hiermee is aangetoond dat een top-down benadering van gezinsplanning helemaal niet nodig is voor het bereiken van demografische doelstellingen. Vereist is slechts dat zulke programma's tegemoet komen aan de behoefte van miljoenen vrouwen en mannen aan goede, veilige en effectieve methoden. Bij voorkeur zou dit dienen te gebeuren door middel van integratie met voorzieningen voor gezondheidszorg, in het bijzonder moeder- en kindzorg. Met de belangen en wensen van het individu als uitgangspunt, kan het collectieve belang op de lange termijn op een humane wijze in evenwicht worden gebracht met het individuele belang van het moment en komt het tegemoet aan de angst van velen voor top-down gezinsplanning. Daarnaast wordt de hele discussie over het gebruik van dwang voor het verlagen van de geboortencijfers dan overbodig. Overigens is in veel landen de druk die op vrouwen wordt uitgeoefend om (veel) kinderen te krijgen vele malen groter dan de pressie tot beperking van het kindertal.

Om in die bestaande behoeften aan methoden voor gezinsplanning te voorzien, is een vergroting van het internationale budget voor bevolkingsprogramma's dringend geboden. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid voor de internationale donorgemeenschap die het op dit punt in het verleden nog al eens heeft laten afweten. Dat ondersteuning niet overbodig is, blijkt uit het feit dat in sommige Afrikaanse landen niet meer dan tien tot vijftien procent van de bevolking toegang heeft tot voorzieningen op het gebied van moeder- en kindzorg/gezinsplanning. Een enorme voorlichtingsinspanning is nodig, al was het alleen maar wegens de beklemmende ernst van het aidsvraagstuk. Vanzelfsprekend moet deze voorlichting geïntegreerd worden met die inzake gezinsplanning.

De mogelijkheid om gezinnen naar eigen wensen te plannen is een mensenrecht, dat in 1968 werd opgenomen in de herziene Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (de verklaring van Teheran). Dat veel vrouwen in ontwikkelingslanden meer kinderen krijgen dan ze eigenlijk zouden willen, is een gevolg van massale schending van dit recht. Het verzaken van onze verantwoordelijkheid nu kan grote consequenties hebben voor toekomstige wereldbewoners.

In totaal wordt thans door Nederland niet meer dan circa 1,2 procent van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking gereserveerd voor bevolkingsactiviteiten. Om aan de wereldwijde vraag naar faciliteiten voor gezinsplanning tegemoet te komen, is in diverse internationale fora gepleit voor een verruiming van de inspanningen tot een niveau van omstreeks vier procent van de ontwikkelingsbudgetten. Een ambitieus lijkende doelstelling die echter eenvoudig kan worden gerealiseerd, door een betrekkelijk kleine veschuiving binnen het ontwikkelingsbudget. Gezien de ernst van de bevolkingsproblematiek is dit een noodzakelijke stap.

Aan de vooravond van het debat in de Tweede Kamer over de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking (17 en 19 november), kondigde minister Pronk aan dat hij de bilaterale inspanningen op het terrein van de bevolkingsproblematiek de komende jaren zal gaan opvoeren. Dat is een verheugende mededeling en een stap in de goede richting, juist omdat de meeste ontwikkelingslanden al jaren om een grotere ondersteuning op dit terrein vragen. Volgens de minister rechtvaardigt de ernst van de bevolkingsproblematiek een grotere Nederlandse inspanning op dit terrein. De komende tijd zal blijken of de minister woord zal kunnen houden, want het gaat in de politiek niet uitsluitend om het juiste beleid, maar om durf, besluitvaardigheid en de effectuering van beleidsvoornemens.