Soepeler huren

GERUISLOOS HEEFT de Tweede Kamer vorige week een einde gemaakt aan de jaarlijkse vaststelling van de huurverhoging op centraal, Haags niveau. Huren kunnen op 1 juli volgend jaar worden verlaagd, bevroren of verhoogd, naar eigen inzicht van de verhuurder en na overleg met de huurder. Maar de maximaal toegestane huurverhoging blijft, gelet op de geringe inflatie, beperkt tot 6 procent per woning, in plaats van de 7,5 procent die staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) eerder voor ogen stond. En de verhuurders van sociale huurwoningen houden de verplichting de gemiddelde huurprijs met ten minste 4,75 procent te laten stijgen.

Veel van de beoogde versoepeling bij de komende huurverhogingen is dus al bij voorbaat verloren gegaan. De praktijk zal uitwijzen of straks nog hoegenaamd van "flexibilisering' van de huren, de "huursombenadering', sprake zal zijn. Maar in ieder geval was er de brede erkenning in het parlement dat de rigide toepassing van één huurtrend, die in de praktijk op zo'n 75 procent van alle huurwoningen in Nederland van toepassing was, niet meer van deze tijd is.

Woningnood behoort alweer geruime tijd tot het verleden, ook al zijn er in de grote steden nog tekorten. Maar de te lang volgehouden centrale sturing in het volkshuisvestingsbeleid heeft ongewenste neveneffecten gehad. Het huurniveau was niet kostendekkend, het bouwjaar en het renteniveau waren van meer invloed op de hoogte van de huur dan de kwaliteit van de woningen.

FLEXIBILISERING van de huren onderwerpt de toewijzing van woningen aan de wetten van vraag en aanbod. De verhuurder zal, alvorens een verhoging door te voeren, zich afvragen of hij zijn woningen niet uit de markt prijst. Troosteloze flatcomplexen, met veel leegstand, zullen, afhankelijk van plaatselijke omstandigheden, relatief goedkoper worden en de goede eengezinswoning duurder. Verhuurder en huurder zullen met de werking van de markt hun voordeel kunnen doen. En er zal vraag ontstaan naar betrouwbare informatie over de huurmarkt.