Oude kameraden

De opvallendste scène in de film die de VPRO zondag uitzond over de Oktoberklub, een Oostduits zanggroepje dat in de jaren zestig zong over de socialistische verworvenheden in de DDR en de gepaste haat tegen de klassevijand, ging niet over vroeger, maar over nu. Het zoontje van een voormalige communistische radiopropagandist vertelde over zijn school: de linksen zaten links. Ze waren te herkennen aan een rode band. De rechtsen zaten rechts en droegen een zwarte band. Hijzelf neigde naar links, maar was toch neutraal. De meeste kinderen waren neutraal, omdat ze bang waren dat ze, als ze bij één van de groepen zouden horen, door de andere groep in elkaar geslagen zouden worden. De rechtsen sloegen af en toe een oude oma of een Turk in elkaar. De leraren vonden dat niet goed, maar deden er niets tegen, omdat ze bang waren om zelf in elkaar geslagen te worden. De jongen die dat vertelde was twaalf jaar. Omdat het over Duitsland ging, dacht ik aan het verleden. Het was alsof de jongen vertelde over de ondergang van de Weimar-republiek, nagespeeld op kinderformaat. Maar hij gaf natuurlijk ook een algemeen en actueel lesje in politiek en menselijke verhoudingen.

Die avond ging bijna ieder onderdeel van het televisiejournaal over geweld tussen verschillende bevolkingsgroepen en haat tegen buitenlanders. Je zou je kunnen voorstellen dat de zangers van de Oktoberclub een uitdagende houding zouden innemen tegen hun ondervragers van de Nederlandse televisie. Was het er zoveel beter op geworden sinds de ineenstorting van het communisme? Moord en oorlog overal. Was hun anti-fascistische strijd achteraf gezien niet heel noodzakelijk geweest? Maar ze waren heel bescheiden en onderworpen en praatten gewillig over de fouten die ze hadden gemaakt. Aardige mensen. Het lijkt niet slecht voor een mens te zijn als zijn wereldbeeld instort. Zelfs toen er aan een van de zangers gevraagd werd wat het verschil was tussen de DDR en de nazi's, bleef hij beleefd. Kunt u dat zelf niet bedenken? zou ik geantwoord hebben. Maar brutaliteit tegen de beterweters uit het Westen, daar hadden ze kennelijk geen goede leerschool voor gehad. Je kreeg medelijden met deze socialistische propagandisten, die zo uitvoerig bekenden dat ze jong en dom waren geweest. Hoe begrijpelijk, hoe invoelbaar waren hun vergissingen. Je vergat bijna dat domheid ook een vorm van carrièreplanning is, zowel daar als hier.

Karel van het Reve heeft een paar keer geschreven over een gezelligheidsvereniging van ex-communisten die hij wilde oprichten. Op hun avondjes zouden de oude strijdliederen klinken en er zouden lezingen zijn over de omslag van de kwantiteit in de kwaliteit, niet omdat iemand er nog in geloofde, maar uit nostalgie. Zo'n gezelligheidsvereniging zagen we ook in die televisieuitzending. Een avondje van de communisten, die nu democratisch socialisten heten. Milde spotliedjes op het DDR-regime, die algemene vertedering opriepen. Een geharnaste marxistische analyse waarin werd uitgelegd dat hun strijd met wetenschappelijke zekerheid tot de overwinning zou voeren, viel hier niet meer te verwachten. Dit waren mensen die zich er bij neergelegd hadden dat ze verliezers waren. “De hoop is een onbetrouwbare charlatan, die ons steeds bedriegt”, zouden ze Chamfort na kunnen zeggen. Maar helaas nog niet het tweede deel van zijn uitspraak, dat het geluk pas begint als de hoop verloren is.

Het lijkt me dat er in die club van Van het Reve ook plaats moet zijn voor mensen die alleen maar anti-communistisch zijn geweest. Laten we zeggen voor de progressief liberale vleugel van het anti-communisme. Er was toch veel wat ons bond. De vrijheid, dat was het geschilpunt. Iedere dag werd er over de radio getoeterd dat het Westen de vrijheid verdedigde. Gek, je hoort er nooit meer wat over. Bijna iedere nieuwe wet is een nieuwe vrijheidsbeperking, maar in de debatten wordt het begrip vrijheid niet meer genoemd. Het zou ook pijnlijk zijn. De vrijheid van wetenschappelijk onderzoek is in Nederland officieel opgeheven. Vraag een Europese boer eens wat zijn vrijheid is. Het woord komt nog voor in de naam van een van onze politieke partijen, als een archaïsche verwijzing naar de negentiende eeuw. Zoals er vroeger de Christelijk Historische Unie was. Alleen de partijarchivaris wist waarschijnlijk wat die Historische Unie betekende.

In de nostalgische gezelligheidsvereniging zullen we ons verbonden voelen door het gemeenschappelijke verloren geloof in de vooruitgang. De communisten wilden de vooruitgang dwingen met ijzeren vuist. Wij wisten dat daar alleen maar moord en ellende van kon komen, want we hadden Karl Popper gelezen. "Piecemeal social engineering', daar moest het van komen. Hervormingen met kleine stapjes. Maar ook hier door ingenieurs, alsof het alleen maar een technische kwestie was. De juiste richting was gegeven door de ontwikkeling van de wetenschap, die ons rijkdom zou geven en ons zou verlossen van tirannieke vooroordelen. Met die communisten viel wel te praten, al hadden ze het mis, veel beter dan met de kinderen die zomaar voor de aardigheid een oma of een Turk in elkaar slaan.

Goede oude tijd. Zet nog eens een strijdlied van Brecht en Weil op, als de plaat tenminste prettig krast. Nu zien we de vooruitgang eerder als een stoomwals, die al een paar honderd jaar met vernietigingswerk bezig is. Niet dat de oude optimistische verwachting verdwenen is. Hij bestaat nog in mijn hoofd, bijna ongeschonden, naast de tegenovergestelde doemsverwachting. Als ik een wetenschappelijk tijdschrift lees, verheug ik me nog evenzeer in de nieuwe ontdekkingen. Als ik de krant lees of naar de televisie kijk, is het eerder de stoomwals die ik zie. Boekbespreking. Ieder jaar sterven er 27.000 plant- en diersoorten uit, volgens een schatting van de beroemde bioloog E.O. Wilson. Een zeer ruwe schatting, want de meeste van die soorten zijn nog nooit door de mens ontdekt, wat niet wil zeggen dat ze geen invloed op ons leven hebben. Voor de voormalig progressieve krantelezer van nu lijkt de oude strijd tussen communisme en vrijheid op een gruwelijke familieruzie. Hij voelt zich een dodenrit maken in een onbestuurbaar projectiel en de stapsgewijze hervormingen van Popper lijken hem nu even fantastisch als de communistische utopie.