Onbegrijpelijk, alle begrip of ontoelaatbaar

“Onbegrijpelijk”, zei minister-president Lubbers vorige week dinsdag op de stoep van Downing Street 10, nadat premier Major hem - kennelijk zonder succes - had proberen uit te leggen waarom hij zich genoodzaakt had gezien het verdrag van Maastricht pas na een nieuw Deens referendum, dat op z'n vroegst in mei kan worden gehouden, aan het Lagerhuis voor te leggen.

Is dat werkelijk zo onbegrijpelijk? Majors politieke leven hing af van de aanvaarding van een motie door het Lagerhuis. Een meerderheid kon hij slechts afkopen door de belofte de ratificatie van Maastricht uit te stellen. En zelfs na die belofte bleek zijn meerderheid niet meer dan drie stemmen te zijn geweest.

Majors besluit had Lubbers vervelend, betreurenswaard, verontrustend, misschien zelfs fataal kunnen noemen. Maar onbegrijpelijk? De ene politicus moet het toch van de andere begrijpen wanneer hij voor zijn politieke leven vecht? Of had Lubbers liever gezien dat Major verloren had, er nieuwe verkiezingen zouden zijn uitgeschreven, die Labour dan waarschijnlijk zou winnen? Zo ja, dan is Lubbers' “onbegrijpelijk” ook nog ondiplomatiek.

Nee, dan was bondskanselier Kohl handiger. Die zei, daags daarna, dat hij “alle begrip” had voor Majors besluit Maastricht uit te stellen. Zou het zo zijn dat de Duitser toch meer een politiek dier is dan de Nederlander? In elk geval heeft hij, bijna per definitie, meer gevoel voor macht. En wat is politiek anders dan spel om de macht? Ook voor het verwezenlijken van de meest bevlogen idealen is macht nodig.

Intussen kan het Engelse uitstel inderdaad fataal voor Maastricht zijn. In de eerste plaats is het helemaal niet zeker dat de Deense voorstellen tot reïnter- pretatie van Maastricht het fiat van de Europese partners zullen krijgen en dat, na zo'n fiat, de Denen bij een nieuw referendum ja zullen zeggen. In elk geval zal er heel wat tijd mee gemoeid zijn en daarna pas kan de Britse ratificatieprocedure beginnen.

In die tijd kan van alles gebeuren wat Maastricht nog verder op losse schroeven zet. De chaos binnen de Europese Gemeenschap is al compleet. Bonn en Parijs - de as waarop de Gemeenschap rust - zijn verwikkeld in een “bittere twist”, zoals Die Zeit deze week schrijft. Het blijkt alleen al uit Kohls “alle begrip”, dat volgde op het “ontoelaatbaar” dat president Mitterrand een paar dagen eerder over het Britse uitstel had uitgesproken. (Ook in de Frans-Duitse twist lijkt Lubbers, met zijn “onbegrijpelijk”, Nederland op een irrelevant zijspoor te hebben gemanoeuvreerd.)

En terwijl de hoofdrolspelers twisten - de aanleiding is overigens niet zozeer Maastricht als wel de GATT-ronde - is de regie haar gezag kwijtgeraakt. Voorzitter Delors heeft, door alleen maar de indruk te wekken dat hij meer voor de belangen van Frankrijk dan voor die van de Gemeenschap opkwam, de Commissie van haar dynamiek beroofd. Deze is verdeeld of vecht - om een term aan de Nederlandse politiek te ontlenen - rollend over straat.

Het is dus begrijpelijk dat staatssecretaris Dankert, wiens Europese papieren boven iedere verdenking staan, vrijdagavond in Oldeberkoop een somber verhaal over Europa's toekomst hield. Het federalistisch verschiet durfde hij nauwelijks meer te noemen. En dat op de dag nadat de Tweede Kamer Maastricht met overgrote meerderheid had goedgekeurd! De irrelevantie van ook dit votum kon niet beter geïllustreerd worden.

Daarmee is niet gezegd dat de Kamer zich tegen Maastricht had moeten uitspreken. Wanneer Duitsland ja tegen Maastricht zegt - en dat zal binnenkort gebeuren - dan zou het op nationale zelfmoord neerkomen als Nederland, dat economisch zo afhankelijk is van zijn achterland, een andere uitspraak zou hebben gedaan. Zo liggen de kaarten. Bolkestein is dus terecht over zijn - eveneens terechte - bezwaren tegen Maastricht heengestapt.

Maar dit alles neemt niet weg dat de eenheid in de Europese Gemeenschap ver te zoeken is, zozeer zelfs dat het de vraag is of het verdrag ooit uitgevoerd zal worden. Het onderlinge wantrouwen heeft ook eventuele alternatieven - zoals een kern-Europa van de oorspronkelijke Zes of (zonder Italië) Vijf - zeer onzeker gemaakt. De houding die tegenover Amerika ingenomen moet worden, is hier beslissend.

Dat wantrouwen heeft voorzitter Delors niet verminderd toen hij onlangs zei: “Europa zal niet bestaan, tenzij het nee kan zeggen tegen Amerika, ten minste één keer nee”. Het is een bijna woordelijke echo van president Pompidous woorden uit 1971: “Europa zal nooit Europa zijn, tenzij het zich onderscheidt (ik zeg niet: zich afsnijdt, ik zeg: zich onderscheidt) van Amerika.”

Hier wordt het verzet tegen Amerika niet verdedigd met argumenten die betrekking hebben op deze of gene Amerikaanse politiek, maar verheven tot het leidend, ordenend, ja scheppend beginsel van Europa. En wanneer de Fransen dat doen, dan hebben ze, logisch gesproken, nog gelijk ook.

Immers, naties hebben, op z'n minst, een tegenstander - noem het: vijand - nodig om één te worden. Nu de Sovjet-Unie als vijand weggevallen is, wie blijft er anders over dan Amerika (tenzij het Japan is)? De Fransen menen dan ook, al dan niet oprecht, dat ze niet anti-Amerikaans zijn wanneer ze zo redeneren.

De zwakte van deze theorie is dat de meeste Europeanen die redenering - althans de conclusie ervan - helemaal niet willen volgen. Zij - en de Amerikanen zelf - beschouwen een politiek die op die theorie berust, wèl als anti-Amerikaans. En dat is ze in de praktijk natuurlijk ook.

Maar wanneer de Fransen zeggen dat wie deze theorie tot in haar uiterste consequenties niet wil, eigenlijk Europa niet wil, dan hebben ze weer het cartesiaanse gelijk aan hun kant. De moeilijkheid met Europa is dat de Europeanen niet Europees zijn. De Fransen overigens net zomin als de anderen.