Nederlands Duitslandbeeld is bepaald niet positief

Met anti-begrippen is het wonderlijk: Men kan zich zelf in Nederland vrijelijk "anti-roken', "anti-alcohol', "anti-apartheid' of "anti-fascist' noemen. Allemaal zaken die volgens de heersende consensus schadelijk voor de gezondheid of moreel-politiek verwerpelijk zijn. Wie hier "anti' is, kan met opgeheven hoofd over de Dam wandelen. Wie "antisemiet' wordt genoemd, zal dat in negen van de tien gevallen betwisten. Niet datgene dat wordt afgewezen maar de afwijzing geldt als verfoeilijk. Vroeger lag dat anders. De term is juist door antisemieten in de negentiende eeuw het eerst in omloop gebracht.

Maar ook zal men zelf zich niet zo gemakkelijk "anti-Amerikaans' of "anti-Engels' noemen. Niemand haalt zich graag het verwijt op de hals een hele nationale cultuur als zodanig te veroordelen. Ook "anti-Europees' wordt, althans hier, niet als een complimenteuze kwalificatie gezien. Of moet ik zeggen "nog niet'? De groeiende weerstand tegen de politieke eenwording heeft het Europa-idee veel van zijn tot nog toe sympathieke glans ontnomen en wie weet, zal straks ook de "anti-Europeaan' even trots rondlopen als de anti-fascist. Maar door de bank genomen beschouwt men zichzelf niet snel als "anti' een ander volk. Dat smaakt naar vooroordeel en goedkope generalisatie. Regelmatig komen we dan ook negatieve uitspraken over een land tegen met de verzekering, dat de auteur "op zichzelf natuurlijk helemaal niet anti-' is.

Nu bestrijdt Friso Wielenga (NRC Handelsblad, 7 november) de voorstelling dat Nederlanders "anti-Duits' zouden zijn als een verouderd cliché, daarbij speciaal doelend op artikelen in Der Spiegel en de Süddeutsche Zeitung; het laatste van de correspondent in Nederland Siggi Weidemann. Ik vrees dat Wielenga - één van onze kenners van het huidige Duitsland - hier toch het onbevooroordeelde beeld, dat hij zelf evenals enkele deskundige Duitslandcorrespondenten regelmatig helpt verspreiden, te gemakkelijk verwisselt met het Duitslandbeeld in de samenleving als zodanig. Natuurlijk moet men hierbij steeds bedenken, dat de ongeveer vijftien miljoen Nederlanders nooit allemaal een uniform Duitslandbeeld zullen hebben. Maar het bestaan van een negatief Duits cliché en een in brede kring levend onderhuids anti-Duits sentiment zelf als verouderd cliché weg te wuiven, gaat toch voorbij aan de realiteit.

Het hangt er uiteraard helemaal van af, welke gegevens men relevant acht en op welke groepen in de maatschappij men zich daarbij richt. Wielenga's betoog is niet erg consistent. Hij verwijst onder andere naar het economische en politieke beleid sedert 1945. Inderdaad zette Nederland zich al vrijwel direct in voor economisch herstel van Duitsland en voor integratie in het Westerse bondgenootschap. Een bewijs van “totale afwezigheid van ressentimenten” tekent hij hierbij aan. Maar verderop wijst hij terecht op de "nuchtere koopmansmentaliteit', waarbij handel en vriendschap niet samen hoeven te gaan en even terecht geeft hij de ware reden voor dat Nederlandse beleid, namelijk dat bestraffing van Duitsland "de eigen wederopbouw' zou schaden.

Het was dus een kwestie van gezonde en pragmatische politiek, die niets te maken had met sympathie. Ressentiment hoort ten enen male niet thuis in een beleid van raison-d'état en uiteraard beseften de Nederlandse politici dat. En dat gold en geldt ook voor het vervolg. Niet alleen waren en zijn nauwe handelsbetrekkingen in het belang van Nederland, ook in politiek opzicht was er later binnen de Europese Gemeenschap vaak sprake van gemeenschappelijke Nederlands-Duitse interessen en een samengaan, vooral tegen Franse aspiraties en voorstellen.

Wie in het economische en politieke beleid van Nederland naar anti-Duitse motieven zoekt, zal allicht weinig vinden. Het zou even verwonderlijk als bedroevend zijn wanneer dat anders lag en men zich bij een buurland, dat voor het welvaren en de veiligheid van Nederland zo belangrijk is, door emoties zou laten leiden. Maar wat is daarmee bewezen? Tussen economische of politieke belangen en sentimenten ligt (Wielenga zelf duidt het aan) een diepe kloof en ik zou zelfs de antithese willen opstellen: Juist òmdat Nederland uit realistische overwegingen gedwongen was na 1945 het herstel van Duitsland te bevorderen en later een nauwe bondgenoot werd, moesten de traumata en verklaarbare gevoelens van afkeer en haat die men uit de bezetting had overgehouden, zich des te sterker op het vlak van de publieke sentimenten en de beeldvorming manifesteren. Misschien ook uit stille gewetenswroeging tegenover de slachtoffers.

Het probleem is dat die anti-Duitse sentimenten niet meetbaar zijn en vooral niet met documenten in de hand zo aantoonbaar als het officiële beleid. Het is nu eenmaal een eigenschap van sentimenten, dat men ze niet op papier pleegt te zetten.

Der Spiegel mag dan volgens bekend huisrecept een smeuïg verhaal opdienen van het stelen van radio's uit Duitse auto's en andere onvriendelijkheden, maar dat tal van Duitsers in de loop der jaren, ook nog der laatste jaren, onaangename ervaringen hadden en altijd weer op een verleden werden gedrukt, dat vandaag voor het grootste percentage van de bezoekers vóór hun geboorte lag, is daarom nog geen fabel.

Vele Duitsers generen zich om hierover te praten (zeker met Nederlanders). Niemand spreekt graag over persoonlijk vernederende belevenissen, waar tenslotte een morele weerloosheid bijkomt: De wandaden die een halve eeuw geleden zijn begaan kan men en - in de meeste gevallen moet worden gezegd - wl men ook niet ontkennen.

Volgens recente enquêtes bestaat er in Nederland bij de leeftijdsgroepen boven de vijftig en, opmerkelijk genoeg, onder de twintig of vijfentwintig wel degelijk een uitgesproken negatief Duitslandbeeld. Bij de ouderen spelen natuurlijk oorlogsherinneringen nog een rol. Bij de teenagers moet die antipathie waarschijnlijk worden gezocht in een versmelting van traditionele clichés met sportsensaties. De pieken van voetbalopwinding zijn bekend. Wie dat afdoet als half-ludiek puerilisme, dat er nu eenmaal bij hoort, gaat voorbij aan de diepere wortels. Bij geen andere tegenstander kwam het en komt het ooit tot dergelijke erupties en incidenten. Het gaat erom dat voor anti-Duitse uitlatingen altijd een natuurlijke en spontane voedingsbodem bestaat.

Zodra een nieuwe rechts-extremistische partij opduikt of de eerste winsten behaalt en zeker als gewelddadigheden tegen buitenlanders worden gemeld, komt het op radio of TV tot de vraag of Hitler weer ante portas staat. Wat bij de oosterburen gebeurt wordt gevoelsmatig in dit opzicht nog met een andere maat gemeten.

"Pro-Amerikaans' zijn (wat dat ook is) geeft geen aanstoot. "Pro-Duits' heten blijft ietwat verdacht. De achteruitgang van het Duits is ronduit alarmerend. Zeker gezien de betekenis van Duitsland in het Europa van morgen, ook voor ons. In Oost-Europa is het Duits opmerkelijk in opmars. De Neerlandistiek in Duitsland overtreft al de Germanistiek bij ons, die in elkaar stort. Niet alleen Frans, ook Italiaans en Spaans trekken een veelvoud aan studenten volgens recent onderzoek (bij Engels spreekt het vanzelf). Het te kort aan leraren Duits straks begint diverse kringen in het bedrijfsleven al te verontrusten. Zou dat alles niets te maken hebben met het Duitslandbeeld?

Het is waar dat veel kranten doorgaans een zakelijke en genuanceerde berichtgeving hebben. Alleen de koppen en de illustraties willen nog wel eens de verleiding van het oude cliché doorbreken. Het is ook waar dat de val van de muur hier een golf van sympathie heeft losgemaakt. Het oude, echt-Nederlandse medeleven met bevrijding van onderdrukking, bij wie dan ook, overstemde toen al het andere. En de politici waren verstandig genoeg zich te onthouden van pogingen om de eenwording te verhinderen, zoals Mitterrand, of van insinuaties, zoals Britse collega's.

Maar de conclusie dat er dus eigenlijk van anti-Duitse gevoelens geen sprake meer is, dat zij die dit beweren achter de feiten aanlopen, betekent een bagatellisering of negatie van wat er, in tegenstelling tot overheid en bedrijfsleven, leeft bij het culturele milieu, de media, veel jeugdigen en andere groepen van de bevolking. Men kan er zijn schouders over ophalen en er niet te zwaar aan tillen, maar doen alsof op het emotionele vlak van de beeldvorming alles koek en ei is tussen Nederland en Duitsland kan men niet.