College EUR: geen eigen onderzoek privé-declaraties

ROTTERDAM, 17 NOV. Het college van bestuur van de Erasmus Universiteit (EUR) zal voorlopig geen eigen onderzoek instellen naar mogelijk onterechte privé-declaraties van hoogleraren en andere docenten voor cursussen aan de Rotterdam School of Management (RSM).

Minister Ritzen (Onderwijs en Wetenschappen) schreef gisteren in antwoord op vragen van het VVD-Kamerlid Franssen dat hij het college om een onderzoek naar de naleving van de regels voor nevenwerkzaamheden aan de universiteit heeft gevraagd.

“We zijn bereid tot een eigen onderzoek, maar het is nu niet handig om dat te doen. Wij gaan geen dubbel werk doen”, zegt een woordvoerder van het college van bestuur. Het college wil eerst de aanbevelingen van de zogenoemde commissie-Ophof “afwachten en daarna bekijken of er nog aanvullend onderzoek nodig is”. Een woordvoerder van Onderwijs en Wetenschappen zegt dat de minister “niet bevoegd is een onderzoek te eisen van het college, dat een eigen verantwoordelijkheid heeft”.

De commissie-Ophof, onder leiding van hoogleraar privaatrecht prof.mr.drs. H.P.J. Ophof - verbonden aan de EUR -, is in april door het RSM-bestuur aangesteld om het externe accountantsonderzoek bij de verliesgevende managersschool te begeleiden. De commissie heeft een formele opdracht van het RSM-bestuur om te onderzoeken of de ingehuurde docenten van de Erasmus Universiteit rechtmatig zijn betaald.

De commissie heeft tevens gevraagd om een formele opdracht van het college van bestuur, maar die niet gekregen. “Formeel is het zo dat het college buiten deze commissie staat”, aldus de woordvoerder van het college.

Het RSM-bestuur wil dat de commissie bekijkt of oud-RSM-bestuurders aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de structurele verliezen bij de RSM, die alleen al over de jaren 1991 en 1992 circa 2,5 miljoen gulden bedragen.

De minister is in zijn beantwoording van de vragen van het Kamerlid Franssen niet ingegaan op het in oktober uitgelekte interim-rapport over de verliezen bij de RSM van de externe accountant Paardekooper & Hoffman. Daaruit bleek dat docenten, in vaste dienst bij de EUR, 1.200 gulden per dagdeel privé of via stichtingen declareerden voor cursussen aan bedrijven, overheid en studenten. De accountant vroeg zich af of dit wel geoorloofd was volgens het Rijksambtenarenreglement en de regeling "Werken buiten de EUR', de regeling voor nevenwerkzaamheden in werktijd.

De voorzitter van het college van bestuur, dr. H.J. van der Molen, noemde het accountantsrapport in deze krant “een uiterst zwak verhaal”. Hij zei dat hij niet afwist van privé-betalingen aan docenten. Wanneer een docent nevenwerkzaamheden in werktijd verricht, hanteert zijn faculteit “altijd een terugboeking van zijn salaris”, aldus Van der Molen. Hij ontkende desgevraagd het bestaan van een “zwarte lijst” met daarop docenten die ten onrechte privé zouden hebben gedeclareerd.

Inmiddels buigen zich aan de EUR drie commissies over de problemen bij de RSM, die verbonden is aan de faculteit bedrijfskunde. Naast de commissie-Ophof is er de commissie-Langman, onder leiding van de oud-bankier prof.mr.drs. H. Langman, die als interim-bestuur de RSM bijstaat.

Onlangs heeft het college zelf de commissie-Slagter benoemd, onder aanvoering van prof.mr. W.J. Slagter, oud-hoogleraar burgelijk recht, handelsrecht en internationaal privaatrecht. De opdracht van de commissie-Slagter is een onderzoek naar “de beweegredenen en achtergronden die tot beschadiging van personen hebben geleid” en in het bijzonder de "lekken' naar de media. Het college is ernstig verontrust door de berichtgeving over de RSM die het imago van de universiteit als geheel aantast.