Armide van Lully bij de Vlaamse Opera; Een gedanste opera en ook een gezongen ballet

Voorstelling: Armide van J.B. Lully door de Vlaamse Opera, Ensemble Instrumental et Vocal de la Chapelle Royale, Collegium Vocale en Compganie Larsen o.l.v. Philip Herreweghe m.m.v. Sylvie Brunet, Howard Crook, Bernard Deletré, Veronique Gens, Noémi Rime, Gilles Ragon, John Hancock en Luc Coadou. Choreografie: Stephanie Aubin; decors: Christian Fenouillat; kostuums: Elizabeth Neumüller; regie: Moshe Leiser en Patrice Caurier. Gezien: 15/11 Kon. Vlaamse Opera. Herhalingen: 17, 19, 20, 22/11. Radio-uitz.: 17/11 20 uur BRTN Radio 3.

Dans is een vast onderdeel van de Franse opera's sinds de fervente balletliefhebber koning Lodewijk de Veertiende zelf ook danste met zijn favoriete operacomponist Jean-Baptiste Lully, die schatrijk werd van de gunsten die de Zonnekoning hem verleende. Ook eeuwen later ontkwamen zelfs Verdi en Wagner niet aan de Franse eis dat opera in Frankrijk een gedanst onderdeel heeft.

De al eerder in Parijs vertoonde produktie van Armide (1686) van Lully, die nu door de Vlaamse Opera wordt gebracht, trekt de uiterste consequentie uit de Franse idée fixe dat opera en ballet onscheidbaar zijn. De hele opera - over de lotgevallen van Franse kruisridders op drift tussen hemelse plichten en aardse geneugten - wordt gedanst. Niet alleen door de dansgroep Compagnie Larsen, ook door het koor, de solisten met vaak opvallend zwierige bewegingen en zelfs door het decor, inclusief rotsen! Telkens weer bewegen in de abstracte ruimte met zwarte coulissen vaak kleurige schilderijen op en neer en heen en weer. Eén keer valt zo'n enorm vlak, bijna zo groot als het hele podium - voorover en zorgt daarmee voor een van de meest dramtische effecten. Een andere keer wordt een koor van gevangenen geplet tussen twee vlakken die zich samenvouwen.

Zo is voortdurend alles in gechoreografeerde en geregisseerde beweging. Ook als die even vertraagt en stopt en lijkt op "gewoon' acteren, dan nog is er sprake van geconcentreerde of gestolde beweging. En het esthetisch fraaiste is een scène waarbij het ideaal van dans (ontkennen van de zwaartekracht) wordt verbeeld: de ridder Renaud - betoverd door de Syrische prinses Armide - komt hangend aan nauwelijks zichtbare lijnen traag in trance voorbijzweven.

Hier is dus spreken van zowel een gedanste opera als van een gezongen ballet. En de integratie van alle kunstvormen - toch al het uitgangspunt van opera - wordt in deze context nog bijzonderder als men bedenkt dat ook zingen bestaat uit beweging, namelijk van stembanden die de lucht doen trillen. En bovendien betekent het woord emotie - het teweegbrengen ervan is uiteindelijk het doel van opera - "gemoedsbeweging'.

Diversiteit, dosering en uitvoering van al die beweging is vrijwel voorbeeldig te noemen. De dansend "geacteerde' scènes en de pure balletscènes met deels allegorische personages als Plaisirs, Amants en demonen lopen vloeiend en vanzelfsprekend in elkaar over. Ook thematisch heeft de choreografie van de regulier gedanste delen betrekking op de inhoud van de voorstelling: de ongelukkig aflopende liefde van Armide voor Renaud. Tegen het treurige eind lijken de duetten tussen de mannen en vrouwen die tevergeefs proberen met elkaar een relatie te krijgen op het aangrijpende Café Müller van choreografe Pina Bausch, zij het zonder die verpletterend machteloze indruk te kunnen maken.

Ondanks het teruggrijpen op het oude Franse dansideaal is de voorstelling van het regisseursduo Leiser en Caurier, die in ons land Iphigenie en Tauride bij Opera Zuid enscèneerden, vrijwel geheel eigentijds. Nergens in vormgeving van decors en kostuums en in de uitbeelding is sprake van reconstructie of teruggrijpen op authentieke vormen. Zelfs de natuurlijk aandoende dansbewegingen herinneren niet aan de precieuze barokgestiek. Veel ziet er hedendaags uit of op zijn minst tijdloos en één speelse en sportieve scène uit het divertiment (met badminton, vliegeren, zwemmen en bellen blazen) is geplaatst in de jaren twintig van deze eeuw.

De muzikale uitvoering grijpt echter geheel terug op de oude praktijk van de barokmuziek, het tijdperk dat belcanto nog moest worden uitgevonden. Het op originele instrumenten spelende orkest geeft onder leiding van Philippe Herreweghe een vaak heftig en gedetailleerd profiel aan de muziek van Lully, die mij overigens iets minder aanspreekt dan die van Monteverdi. En de zonder uitzondering overtuigende zangers uiten zich hier op de meest expressieve wijze in een doorleefde en verheven vorm van "Sprechgesang'. Vanavond zendt de BRT-radio deze Armide uit, maar het zal duidelijk zijn dat men meer dan ooit bij opera naar deze voorstelling tegelijkertijd moet luisteren èn kijken.