Alle vogels vliegen

Met de natgemaakte punt van een theedoek veegt oma de resten van een tompouce van mijn mond. Zodra ik schoon ben, ren ik terug naar de kamer, trap mijn schoenen uit en duik in de fauteuil. Mijn zusje ligt als een opgerolde kat in de andere fauteuil. Ik kijk naar buiten. De platanen langs oma's singel zitten tjokvol vogels. Door de bladeren kun je ze niet zien, maar zo te horen moeten het er duizenden zijn.

Er wordt gebeld. Juffrouw Bijl komt op bezoek. Ik noem haar oma's praatvriendin. Ze is rond en alles aan haar is klein: handen met poppenageltjes en oudedamesschoenen in kindermaat. Pratend komt ze de trap op en zodra ze boven is, gaat ze zitten. Als oma naar de keuken loopt om thee te zetten, praat juffrouw Bijl in haar eentje door. Pas als oma ook komt zitten, praten ze samen.

“Let op”, zegt oma. Heel langzaam en zachtjes schuift ze eerst het ene raam omhoog en dan het andere. De geluiden van de vogels lijken scherpe speertjes die tegen de achterkant van de kamer botsen en alles opvullen: de kopjes, de boekenkast en mijn oren. Oma buigt achter de fauteuil. Daar ligt een stapel grote boeken met harde kaften klaar. Die komen van het orgel uit het donkere tussenkamertje. Ze geeft juffrouw Bijl twee boeken en neemt er zelf ook twee.

Nu moeten mijn zus en ik een eindje achteruit en stil zijn. Juffrouw Bijl gaat voor het ene raam staan en oma voor het andere. “Let op”, zegt oma weer. Ze klemt één boek in iedere hand en buigt zich, met de boeken, ver uit het raam. Haar billen steken de kamer in. Juffrouw Bijl doet hetzelfde: ze neemt in elke hand een boek en gaat naar buiten hangen. Haar korte benen wippen bijna van de grond. Allebei spreiden ze hun armen met de boeken en kijken elkaar aan. Dan telt oma tot drie.

"KNÀLLLL'. De boeken slaan tegen elkaar. Alle vogels schrikken. De lucht wordt grijs van luid tjilpende wolken die uit de platanen opvliegen en boven de singel blijven rondcirkelen. Oma en juffrouw Bijl hangen slap van de lach over de vensterbank. “Nee”, zegt oma tegen ons, “nu moeten we een poosje wachten voor er weer genoeg zijn.”

    • Monica Metz