Adieu Ernst Happel

Nu Ernst Happel dood is kom je vanzelfsprekende verhalen tegen over zijn stuurs overkomende verlegenheid, over zijn slechte taalgebruik, mengeling van Weense charme (zelden tot de oppervlakte doordringend) en zijn hekel aan officials. “Allemaal grote loelen”, riep hij soms. Misschien heb ik hier en daar de verkeerde stukken gelezen, maar wat ik weinig tegenkwam was bewondering voor de ongeëvenaarde kijk op voetbal, welke Happel bezat. Hij kon een wedstrijdverloop en een tegenstander "lezen' als weinig anderen. Zijn vermogen tot tactische manoeuvres was zeer groot, zonder dat het op gewichtigdoenerij ging lijken, want daaraan had Happel een immense hekel. Hij ademde voetbal, al kon hij er slecht over praten, want het idee dat alle Weners uitblinkende praters zijn is even onjuist als de verbeelding dat alle Amsterdamse trambestuurders geboren humoristen zijn. Een paar dingen die elders naar voren zijn gebracht, vragen om rectificatie. Voetbal was niet zijn enige liefde: kaarten en gokken maakten eveneens een flink deel van zijn bestaan uit.

Wat was hij dan voor een man? Eerlijk gezegd vond ik hem destijds, toen hij in Nederland trainer was, aan de luie kant. Eens, in Tel Aviv, waar hij het Nederlands elftal leidde tegen Israel, liet hij mij via secretaris-penningmeester Jan Huybregts vragen of ik gegevens over de Israeliërs had. Hij wist van hen helemaal niets! In 1978, toen het bij het WK in Argentinië aanvankelijk slecht ging met Oranje, zat hij uren te kaarten en liet hij veel te veel over aan Jan Zwartkruis, zijn assistent. Hij maakte nogal eens de indruk dat problemen zich vanzelf oplosten als je ze maar met rust liet. Soms bleek dat nog waar ook, maar lang niet altijd. Hij bezat drie passies: voetbal, kaarten en gokken. Het laatste deed hij vooral in het casino van Velden aan de Wörthersee, maar ook in Seefeld was hij wat men noemt een graag-geziene gast.

Nooit eerder heb ik een voetbaltrainer in de regionen rond de top gekend, die zo dicht bij zijn spelers stond en niettemin zo duidelijk de baas was. Wellicht is dat het grootste compliment dat men Ernst Happel kan maken. Hij was geem man om met voorzitters functioneel om te springen. Liever onderhield hij zich met de voetballers. Hij sprak hun taal. Ooit was hij als verdediger van Rapid Wien voor het eerst op de voorgrond getreden. Zijn 51 interlands (daarna werd hij prof in Frankrijk) spreken voor zichzelf. Het back-stel Happel-Merkel was beroemd en berucht tegelijk. Merkel werd in de vijftiger jaren eveneens coach van Oranje. Hij was als voetballer de mindere van Happel, maar had in de Oostenrijkse competitie het voordeel nog ruwer te zijn. Toch was Happel geen woesteling uit noodzaak: het verhaal dat hij uit technische onmacht de ballen wild naar voren dreunde, is beslist niet waar. Hij kon zeer veel met een bal en daarop berustte een deel van zijn populariteit onder de spelers wier trainer-coach hij was.

In zijn Haagse tijd liet hij cola-flesjes op de deklat zetten om die er vervolgens van grote afstand haarscherp vanaf te schieten. Voetballers respecteren zoiets en prefereren het boven langdradige wedstrijdbesprekingen. Happel hield die dan ook niet, maar was een meester in het aangeven hoe een individuele tegenstander bestreden moest worden. Ook daar houden voetballers van: tips waar iets mee te doen valt. Die zeventien titels waarmee Happel-de-trainer had kunnen schermen - al deed hij dat ongaarne - zijn uiteraard niet bij toeval tot stand gekomen. Een betere praktijktrainer is moeilijk aan te wijzen.

Wat mij pijn doet, is de manier waarop hij teloorging. Aangevreten door de kanker stond hij de laatste maanden als een levend lijk voor de Oostenrijkse nationale selectie. Hij had bijna geen stem meer en werd door chemotherapie nog enigszins op de been gehouden. In het harnas gestorven, maar hoe?