Achtergrond van Sjostakovitsj' oratorium weggeretoucheerd

Morgen wordt in het Concertgebouw in Amsterdam Het lied van de bossen van Dmitri Sjostakovitsj ten gehore gebracht. Eind 1949 was in Moskou de wereldpremière van dit oratorium, in het kader van de byzantijnse erediensten aan Sovjet-dictator Stalin. Die werd in verband met zijn zeventigste verjaardag binnen zijn imperium en door de communistische partijen die erbuiten opereerden pompeuzer dan ooit bewierookt als geniale leider van heel de progressieve mensheid.

De jarige bevond zich op een ongekend hoogtepunt van alleenheerschappij en had, even over de grens van de krankzinnigheid heen, zijn “grote bouwwerken van het communisme” aangekondigd; zij behelsden niet minder dan “de omvorming van de natuur” - de bevloeiing van de woestijnen door de grote rivieren in Siberië die naar de Noordelijke ijszeeën stromen om te buigen en hun water naar het Zuiden te laten brengen en dit te paren aan plannen voor gigantische bebossingen.

Sjostakovitsj verkeerde dat jaar op het dieptepunt van zijn loopbaan door scherpe publieke terechtwijzingen van Stalins spreekbuis, Zjdanov, inhoudend dat zijn composities niet in overeenstemming waren met de partijrichtlijnen en de behoeften van het volk. Toen de in zijn bestaan bedreigde componist de gedroomde bossen van Stalin ging bezingen met "volkse melodieën', werd hij weer geprezen en kreeg hij een plaats in het erecomité voor Stalins verjaarspartij toegewezen.

Buiten het Sovjet-blok was Het lied van de bossen voor het eerst te beluisteren in 1952, in het Concertgebouw in Amsterdam, in het kader van een cultureel festival van de Vereniging Nederland-USSR. De uitvoerenden waren het CPN-gezinde arbeiderszangkoor Morgenrood en een gemengd gezelschap beroepsmusici uit diverse gerenommeerde Nederlandse orkesten. De Sovjet-ambassadeur in Den Haag hield vooraf een toespraak, waarin hij “de imperialistische drang tot beroving, dood en vernietiging van het Sovjet-volk” signaleerde en daartegenover de “volkomen veranderingen van de natuur” in zijn land plaatste en het idee dat “alle progressieve leiders der cultuur” waar ook ter wereld “in de Sovjet-kunst een verheven voorbeeld zien van dienst aan het volk”. De voorzitter van de vereniging Nederland-USSR sprak van “een mijlpaal in de geschiedenis van de (Nederlandse) volkszang”.

Maar een half jaar later stierf Stalin en kwam aan diens verheerlijking een einde. Meer dan dertig jaar meden alle "progressieven' het lied van de bossen; de jeugdorganisatie van de CPN keerde alle Sovjet-kunst en Morgenrood-koren de rug toe en haalde in 1955 op haar eigen cultureel festival de Skymasters naar het Concertgebouw. Inmiddels weet iedereen sinds 1956 dat Stalin tot de categorie massamoordenaars behoort en dat de pogingen zijn plannen met de natuur door te zetten tot onvoorstelbare rampen hebben geleid voor de gevangenen in de Goelag Archipel en voor de natuur in Siberië.

Toch werd nog een tweede Nederlandse uitvoering van de lof op Stalins bebossingsplannen gehouden en wel op Koninginnedag 1983 - in de Houtrusthallen in Den Haag - verzorgd door het Almeloos Christelijk mannenkoor, het Almeloos Christelijk Jeugdkoor Con Moto, het zangkoor Deo Sacrum uit Poeldijk, de Christelijke oratorium Vereniging en het Groot Christelijke Mannenkoor van Zwolle; zij werden begeleid door het Residentieorkest. De derde uitvoering in ons land, veertig jaar na de première van 1952, opnieuw in het Concertgebouw in Amsterdam, is oecumenischer van opzet: er wordt aan deelgenomen door de Koninklijke Christelijke Oratorium Vereniging Amsterdam, het jongenskoor St. Bavo, bestaande uit leerlingen van de koorschool van de kathedrale Basiliek te Haarlem, en het Orkest van de (protestants-christelijk georiënteerde) Vrije Universiteit te Amsterdam.

Op de Nederlandstalige affiches en in de programmaboekjes treft men de titel ditmaal ofwel in het Engels aan The song of the forests - of als "Het lied van de wouden'. De naam Stalin en enige verwijzing naar diens plannen met de natuur in Siberië ontbreken; het planten van bomen wordt geplaatst tegen de achtergrond van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, alsof de Duitse Wehrmacht uit houthakkers bestond. De Stalin-prijs die Sjostakovitsj voor dit oratorium is toegekend wordt Staatsprijs en Stalingrad wordt Volvograd genoemd; de Pioniers (officiële Sovjet-kinderorganisatie) zijn leeftijdloze pioniers geworden; het genie van Stalin is vervangen door dat van zijn opvolgers (Het genie van onbuigbare, trouwe zonen leidt de partij) terwijl de tekst van het Gloria-slot nu Leve de partij van Lenin: Leve het vaderland, voor altijd! Leve onze wijze partij! luidt. Het is een voorstelling van zaken die doet denken aan de foto's in de Pravda en de diverse edities van de Sovjet-Encyclopediën, waarin elke nieuwe "vijand van het volk' werd weggeretoucheerd.

Een en ander roept ongetwijfeld interessante vragen op. Wat moet men onder "volkskunst' verstaan? Waarom greep men in de Sovjet-Unie bij de in een impasse geraakte staats- en partijcultuur terug op godsdienstige motieven en valt men nu in de allerminst florerende christelijk georiënteerde kunst terug op Sovjet-motieven? Doen tekst en culturele achtergrond van muziek er voor de moderne liefhebber helemaal niet meer toe? Maakt het bij lofzangen nog iets uit of het om de verering van welke Almachtige dan ook gaat, Stalin of Onze Lieve Heer, moeder Maria of moeder Natuur? Moet men betekenis hechten aan overeenkomsten en verschillen tussen Stalin en andere oppermachthebbers in het Sovjet-rijk als zijn voorganger Lenin of zijn navolger Brezjnev?

Hoe de antwoorden daarop mogen luiden, de verdoezelende presentatie deugt in elk geval niet. Zij maakt het onwaarschijnlijk dat alle deelnemers en bezoekers op de hoogte zijn van de originele versie en van de ontstaansgeschiedenis van dit koorwerk. Wie wordt gevraagd dit te zingen of te beluisteren zou zich toch op zijn minst moeten kunnen bezinnen op de vraag waar men al dan niet mee bezig wil zijn.