Snelheidsbeperking heeft geen meetbaar effect op verzuring

Naar aanleiding van de recente berichten over achteruitgang van de vitaliteit van het Nederlandse bos, heeft de stichting Natuur en Milieu een programma met zestien actiepunten aan de minister-president gestuurd. Het verkeer is uiteraard één van de boosdoeners en voorgesteld wordt dan ook de snelheid op de autowegen verder te beperken tot 90 km per uur.

Dit is geen goede maatregel. Niet, omdat nog meer hooggeplaatste lieden in gewetensnood zullen komen, als ze die uiterst belangrijke vergadering niet op tijd dreigen te halen. Wel, omdat een dergelijke maatregel zo goed als niets oplevert.

Basis van alle discussies over het effect van snelheidsbeperking is een exercitie van TNO in 1985, enigszins aangepast in 1989. Daar kwam voor het voertuigpark van 1983 bij een vermindering van de modale snelheid op de snelweg met 10 km het volgende uit: de emissies van stikstofoxyden uit personenauto's gaan omlaag op de snelweg met 8,5 procent, op het totaal aantalpersonenauto's met 3,7 procent en op het totale verkeer met 2,3 procent. Voor een top van 90 km zullen deze bedragen ongeveer verdubbelen tot 4,6 procent. Nu wordt volgens de huidige inzichten verzuring voor vijftig procent door ammoniak en voor 15 procent door stikstofoxyden uit het verkeer veroorzaakt. Dat wil dan zeggen dat de maatregel maximaal 0,69 procent minder verzuring oplevert. Daarbij is nog geen rekening gehouden met het feit dat verzurende depositie in Nederland voor een belangrijk deel uit het buitenland komt en eigen maatregelen dus weer minder effect sorteren.

Ieder voor zich kan uitmaken of het bovenstaande effect belangrijk genoeg is om de maatregelen te rechtvaardigen. Waar het mij nu om gaat, is dat er sinds 1985 wat met de auto's aan het veranderen is, waardoor de TNO-berekening niet meer representatief is voor de toekomst. Vanaf 1989 worden de personenauto's dank zij het milieubeleid met zeer effectieve katalysatoren uitgerust. De penetratie daarvan zal nu zo'n 25 à 30 procent van het autopark zijn.

Nu beseft iedereen wel dat hierdoor de emissies van de personenauto's sterk gaan teruglopen, maar er gebeurt door die kaktalysator ook nog iets anders. De eerste omstandigheid zal vooral op de snelweg optreden, de tweede daar vrijwel niet, maar wel in de stad. Met andere woorden de snelwegemissies gaan een veel kleiner deel van de totale auto-emissies vormen dan voorheen. Beïnvloeding van dat kleinere deel door de voorgestelde maatregel zal dan ook een steeds kleinere invloed op het totaal hebben.

Een globale schatting aan de hand van beschikbare gegevens wijst op verminderingen van de emissies van stikstofoxyden van een autopark met katalysatoren door de voorgestelde maatregel van respectievelijk 8,5, 1.5, 0.4 procent voor de bovengenoemde categorieën. De verzuring zal dan met 15 procent van 0.4 = 0.06 procent afnemen. Uiteraard wordt deze situatie eerst bereikt als alle auto's met katalysatoren zijn uitgerust, nu zitten we tussen de eerdergenoemde 0.69 en 0.06 procent in.

Voor het beleid interessante implicaties van het effect van de katalysator zijn dus, dat verder terugdringen van de verkeersemissies vooral moet komen uit wat de volgende belangrijke bron is, de vrachtwagen. En wil je dan toch nog wat bij de personenauto halen, dan moet dat worden gezocht in wat daar de voornaamste resterende bron is. Dit zijn dan dus de koude start en opwarmperiode en daarmee de korte ritjes. Die zouden dus moeten worden teruggedrongen. De fiets kan daarvoor veelal inderdaad een reëel alternatief zijn.

Met nadruk zij gezegd dat er ook andere redenen voor snelheidsbeperking kunnen zijn: energieverbruik, lawaai, veiligheid, maar de voorgestelde maatregel richt zich op terugdringen van de verzuring.

De conclusie is duidelijk: verdere beperking van de snelheden van auto's op de snelweg heeft geen meetbaar effect op de verzuring en lijkt daarmee meer te berusten op het berijden van stokpaarden. Ik meen met Natuur & Milieu dat Nederlanders graag iets over hebben voor het behoud van het bos, maar ze willen wel zien dat die bijdrage goed wordt besteed.

    • L.C. van Beckhoven