PERFECTIONISTE ZONDER OOGKLEPPEN

De schaatssters van de allround kernploeg bewaren slechte herinneringen aan het vorige seizoen. Hun oogst was uiterst mager, met name bij de Olympische Spelen in Albertville, waar alleen Carla Zijlstra met twee vierde plaatsen (3.000 en 5.000 meter) een aanvaardbaar niveau haalde. Zijlstra voorspelt betere tijden. Voor zichzelf en voor haar drie collega's in de meidengroep van de nieuwe trainer Henk Gemser.

Deventer, zaterdagmiddag. De wedstrijd zit er op voor Carla Zijlstra. Maar ze gunt zichzelf nog geen rust. Na haar matige 500 meter en haar triomf op de schaatsmijl bij de IJsselcup rijdt ze langdurig uit. En dan verlaat ze het nieuwe stadion De Scheg voor een pittige tocht op de mountain-bike. Ze is uiterst fanatiek, geeft ze later toe. Nu de competitie is begonnen is ze dag en nacht met haar sport bezig. “Dag en nacht ja, want ik lig ook nog van het schaatsen te dromen.” Zijlstra is niet alleen bijzonder gedreven, ze is ook een perfectioniste. In die opzichten lijkt ze precies op Gemser.

En evenals de vakman Gemser houdt Zijlstra van een professionele benadering. De trainer ontvlamde laatst toen een van zijn meiskes tijdens een loodzware trainingsinspanning iets mopperde in de trant van: “Het moet wel een hobby blijven.” “Schei uit, het is je vak”, bitste de coach prompt. Zijlstra sluit zich graag aan bij die opvatting. De 22-jarige Groningse studente houdt niet van zeuren. Vorig seizoen heeft ze zich wat dat betreft volop geërgerd. Aan de dingen die binnen de kernploeg tot hoofdzaak werden gemaakt, terwijl ze onbeduidende details waren. En aan de instelling van ijskoningin Yvonne van Gennip, die in Albertville het olympische gevoel miste en daardoor demotiverend op de groep werkte. Maar Zijlstra zegt daar nu niet meer lang bij stil te willen staan. Zand erover, vindt ze. Ze wenst ook niet uitgebreid terug te blikken op de slordige handelwijze van de bobo's, die afgelopen zomer de vrouwenkernploeg dreigden op te heffen - er was geen geschikte trainer voor handen - en later met de aanstelling van Gemser zo lang draalden dat de schaats professor nog bijna afhaakte.

Zijlstra richt zich liever op het heden en de toekomst. Ze constateert dat de sfeer in de groep van vier weer lekker is geworden. “We zijn klein, maar fijn” glundert ze. Uitbreiding van het gezelschap acht ze ongewenst, temeer daar er bij het Europese titelstrijd en het wereldkampioenschap per land nog maar drie rijdsters mogen meedoen. Dat is een veel bekritiseerde maatregel van de internationale bond, de ISU. Als de ISU toch wil veranderen, meent Zijlstra, dan moet ze het jaarprogramma maar eens onder de loupe nemen. “In de niet-olympische seizoenen zou men de wedstrijden om de Wereldbeker telkens op een ander continent moeten organiseren”, oordeelt ze. “Dus de hele reeks om de beurt in Europa, Azië en Noord-Amerika. Dat circuit van een week of vijf sluit je dan af met het WK, waaraan de beste vijfentwintig meedoen. Die aanpak zou interessant zijn, sportief en ook met het oog op de kostenbesparing.”

Momenteel schaaft Zijlstra samen met Gemser aan haar zwakke punt, de techniek. Ze dacht dat ze in Albertville “tamelijk perfect” had geschaatst, “maar toen ik later de video-beelden bekeek, zag ik dat dat lang niet het geval was. Ik reed niet strak genoeg. Verspeelde te veel energie.” Gemser meent dat Zijlstra te veel stept, dat de valbeweging ontbreekt. “Ze moet meer snelheid uit een slag kunnen halen. Ze verplaatst haar lichaamsgewicht telkens te vroeg naar haar andere voet. Zoiets krijg je er niet één-twee-drie uit. Zijlstra rijdt nu 4.24 op de drie kilometer. Leert ze beter schaatsen, dan kan die tijd naar 4.10. Lukt dat, dan moet ze dit seizoen al in de prijzen kunnen vallen.” Zijlstra heeft alle vertrouwen in Gemsers aanpak. “Ik ben bereid veel te investeren in mijn zwakke schakel. Maar het mag natuurlijk geen obsessie worden. Börner won de olympische 1500 meter, maar is bepaald geen technisch wonder. De tijden zijn uiteindelijk het belangrijkste, je schiet niks op met een prima stijl als je nog geen deuk in een pakje boter rijdt.”

De trainingsmethode van de kernploeg, die naast Zijlstra bestaat uit Lia van Schie, Sandra Voetelink en debutante Annemarie Thomas, verschilt aanzienlijk van die van de vorige competitie. Onder coach Arie Koops richtte de selectie zich helemaal op de olympische disciplines. De stayer Zijlstra vergat destijds haar sprint min of meer, nu traint ze weer volop op de 500 meter. Want ze wil “hoog scoren” bij de Europese titelstrijd en het wereldkampioenschap. Bij die evenementen kwam ze de afgelopen twee jaar net bij de eerste tien. “Mijn doel? Groeien naar de eerste plaats. Die instelling moet je hebben, anders wordt het nooit wat met je. De tweede plek telt nu eenmaal niet.” Het klinkt heel optimistisch. Gemser durft nog verder te gaan. De Fries heeft zich al laten ontvallen dit seizoen te streven naar ten minste één grote toernooizege van een van zijn vrouwen. Geloof je daar niet in, vindt hij, dan kun je beter stoppen.

Gemser heeft na zijn aanstelling meer dan eens gezegd dat hij verkering zoekt met zijn pupillen. Zijlstra: “Het klikt goed tussen Gemser en de groep. Hij twijfelt nooit, dat is een geruststellend idee. Hij is kritischer dan Koops, maar zijn kritiek moet je positief bekijken. Daarmee zeg ik niet dat Arie zijn werk niet goed deed. Integendeel, maar hij had de omstandigheden tegen. Die zijn nu goed. Er is eenheid, we hebben wat aan elkaar. En wat de faciliteiten van de bond betreft, die zijn in orde. Hoewel, als je schaatsen als een beroep beschouwt, dan is de honorering natuurlijk mager. Bij een zware training denk ik wel eens: waar doe je het allemaal voor? Voor die paar rotcenten? Maar er zitten ook mooie kanten aan. Ik voel me er in elk geval lekker bij. Prachtig toch, dat je naast je geestelijke vermogens - op de universiteit - ook je lichamelijke kwaliteiten optimaal kunt ontwikkelen. Dat houdt je fris.” Carla Zijlstra is een super-fanatieke schaatsster, maar ze heeft geen oogkleppen op.

    • Guido de Vries