Mariss Jansons schept hallucinerende eenheid

Concert: Oslo Philharmonisch Orkest olv Mariss Jansons mmv Leif Ove Andsnes, piano. Programma: Weber: ouverture Oberon; Grieg: Pianoconcert in a; Strawinsky: Le Sacre du Printemps. Gehoord: 14/11 Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

Een kleine maand geleden maakte Mariss Jansons in Amsterdam een verpletterende indruk door zijn optreden met het Philharmonisch orkest van St. Petersburg, waarmee hij als vaste gastdirigent een hechte relatie heeft opgebouwd. Belist niet minder indrukwekkend was dit keer Jansons muzikale leiding van het symfonieorkest uit Oslo, dat dank zij zijn benoeming in 1979 tot eerste dirigent kon uitgroeien tot een ensemble van topklasse.

Ook dit keer knoopte Jansons weer aan bij een oude, in onbruik geraakte traditie om een concert te laten beginnen met een ouverture uit een bekende opera. Helaas bevestigde de wat stijve, uiterst correcte voordracht van Webers Oberon-ouverture alleen maar de juistheid van het adagium dat alle begin moeilijk is.

Bij de begeleiding van de jonge Noorse pianist Andsnes in het Grieg-concert was alle bevangenheid totaal verdwenen. Bewonderenswaardig vond ik vooral de alerte wijze waarop Jansons in het dansante slotdeel reageerde op Andsnes speels-virtuoze bravoure. De subtiele wijze waarop Andsnes het lyrische middendeel vertolkte, wekt het vermoeden dat deze pianist veel meer kan dan buiten het eigen land voor de zoveelste maal eer betuigen aan het enige pianoconcert van zijn landgenoot Grieg.

Zonder meer monumentaal was de vertolking van het grote orkestwerk van de avond: Strawinsky's Le Sacre du Printemps. Dat tijdgenoten, vertrouwd als zij waren met de esthetische en ethische normen van Europa's Grieks-christelijke cultuur, aanvankelijk geen raad wisten met de elementaire, barbaarse kracht van deze heidense muziek, is nog altijd invoelbaar. Bij de vertolking van een dergelijk wat instrumentale bezetting uit zijn krachten gegroeid orkestwerk, waar het ogenschijnlijk onbelangrijkste detail een wezenlijke rol speelt bij het opvoeren van de niet aflatende muzikale spanning, is Mariss Jansons op zijn allerbest. Met een aan het onwaarschijnlijke grenzende precisie, die nooit ontaardt in pedanterie, coördineert hij alle bestanddelen tot een dwingende hallucinerende eenheid. Wat de dirigent hier uit het orkest haalt grenst aan tovenarij.