Klinkend Nederlands voorbeeld voor falend Britse energiebeleid

De Britten hebben nooit een centraal energiebeleid gevoerd. Elke kans daarop was verkeken door de slechte start na de oorlog, toen kolenmijnen, staalfabrieken en vervoersbedrijven werden genationaliseerd. De politieke euforie over het gemeenschapseigendom van produktiemiddelen ging in rook op toen bleek dat de in kapitaalnood verkerende elektriciteitsbedrijven op kosten van de belastingbetaler moesten worden gemoderniseerd. De omvangrijkste Labour-regering die Groot-Brittannië ooit heeft gehad begon te scheuren in de confrontatie met de mijnbouw, de staalindustrie en hun strijdbare arbeidersklasse.

De oude machthebbers bleven buiten schot, totdat zich snel wisselende en voorspelbare scenario's ontrolden die de politieke tijdgeest weerspiegelden die op zijn beurt weer een reactie was op de oliecrisis, de ontdekking van aardgas in de Noordzee en het toen nog onbesmette blazoen van de kernenergie.

De privatisering van de staalindustrie en de vervoersbedrijven en de opkomst van de kernenergie kregen al gauw voorrang bij de Labour-partij onder Harold Wilson en bij de energiebonden. De schone, witte technologische revolutie van de toekomst was uitgebroken. Die zou worden gekoppeld aan de voor driehonderd jaar toereikende voorraad harde steenkool in de diepe Britse mijnen. De combinatie kern- en steenkoolenergie werd geheiligd tot de totem van het economisch succes. Zo diep was het geloof dat opeenvolgende regeringen van links en rechts maar mondjesmaat gelden uittrokken voor alternatieve energie en energiebesparing.

Het onderzoek naar zonne-, wind- en getijdenenergie werd overgeheveld naar het Instituut voor Atoomenergie te Harwell waar het een kwijnend bestaan leidde. Een rapport over getijdenenergie waarin werd aangetoond dat het grootste gedeelte van de elektriciteitsbehoefte van Schotland economisch kon worden voorzien met dit type energie, werd getorpedeerd voordat dit in het parlementaire debat en in de publieke opinie een rol kon spelen.

Terwijl het kernenergieprogramma werd ontwikkeld en gas de schoonste, goedkoopste oplossing bleek te zijn voor de verwarming van woningen en kantoren, deed de National Coal Board zijn best om zich van zijn "vuile' imago te bevrijden.

Met behulp van enorme investeringen aan overheidsgeld en inkrimping van de personeelsomvang met 77 procent sinds 1985 zijn de produktiekosten drastisch teruggebracht, zodat de dagopbrengst per mijnwerker van 2,43 ton is toegenomen tot zes ton. Britse harde stoomkolen van grote diepte is thans, met zijn lage zwavelgehalte (1,55 procent), de goedkoopste steenkool van Europa: ¢842 per ton (over 1991-'92; ter vergelijking: de gesubsidieerde Duitse steenkool kost ¢886 per ton). Gezien dit succes zou men zeggen dat de markteconomie de room op de melk van de nieuwe wereldorde zou zijn; en in dat geval zou het met Groot-Brittannië de goede kant op gaan.

De National Coal Board (opgepoetst tot "British Coal' als voorbereiding op toekomstige privatisering) verrichtte - van het geld van de belastingbetaler - uitgebreide research en ontwikkeling. Hij zorgde niet alleen dat de Britse steenkoolreserves voor driehonderd jaar toegankelijk werden gemaakt, maar ook dat het stoken met steenkool steeds milieuvriendelijker werd.

Om twee voorbeelden te noemen: er wordt thans microfijne poederkool uit calorierijke, laagzwavelige harde steenkool gemaakt die dezelfde verbrandingseigenschappen bezit als zware stookolie, maar met dertig procent minder CO2-emissie. En er worden spaarketels en turbine-installaties geëxporteerd waarin meer dan negentig procent van alle zwavel wordt verwijderd en andere vervuilende stoffen worden gezeefd uit de as, zodat die kan worden gestort.

Bij deze met recht milieuvriendelijk te noemen industrie dreigen nu, indien de sluiting van eenendertig kolenmijnen doorgaat, als gevolg van een domino-effect nieuwe bedrijfssluitingen, waarmee ongeveer honderdduizend banen zijn gemoeid.

Een moderne kolengestookte centrale produceert evenveel SO2 als een gascentrale, en de technologie waarmee de CO2-produktie in dezelfde mate kan worden gereduceerd is in de maak. Helaas worden deze hoogst effectieve verbrandingsgas-distillatie- en aszuiveringsinstallaties alleen geïnstalleerd in centrales van 8.000 megawatt en groter.

Zo logisch als de wetten van de thermodynamica lijken, zo verwarrend moeten de geldende economische wetten der energiepolitiek lijken voor de beheerders van huishoudportemonnees. Vijftig jaar lang is steenkool voor de elektriciteitsopwekking in Groot-Brittannië brandstof nummer één geweest. Als steenkool zou zijn gekoppeld aan alternatieve technologieën, dan zou de huidige politieke situatie nooit zijn ontstaan. Als de steenkoolwinning hand in hand was gegaan met effectieve regelingen voor energiebesparing met isolatiesubsidies, dan zou er ruimte zijn geschapen om, met de geleidelijke sluiting van de mijnen, herscholingsprogramma's op te zetten voor de mijnwerkers. De onschadelijke, meer democratische omwenteling naar zon, wind en getijde als energiebronnen zou hebben geleid tot een opener samenleving waarin nieuwe industrieën en werkgelegenheid zouden zijn geschapen. Dat Labour blind is geweest voor zo'n milieuvriendelijke alliantie lag ten dele aan de anti-intellectuele, steile houding van de Britse socialisten.

Op dit ogenblik wordt twintig procent van het opgewekt vermogen aan elektriciteit gegenereerd door kerncentrales, die worden gesubsidieerd door een toeslag van maar liefst elf procent op de stroomrekening van de consument. Daarbovenop wordt dan nog eens ¢81,2 miljard (ƒ3,3 mld.) subsidie uit de algemene middelen toegelegd om de heerlijke nieuwe wereld van de kernkracht hoog te houden.

De onlangs geprivatiseerde, monopolistische elektriciteitsmaatschappijen kopen voorts hoog gesubsidieerde kern-elektriciteit uit de watergekoelde Franse centrales aan de kust bij Gravelines, tegenover Dover.

British Coal (BC) daarentegen moet gehoorzamen aan de wetten van het marktmechanisme en zichzelf "economisch goedkoper' maken. En dat heeft BC gedaan door tal van winstgevende mijnen te sluiten en te investeren in het puikje van de diepgelegen harde steenkool, die nu goedkoper is dan welke andere energiebron ook. Nog zo'n economisch onzinverhaal is, dat wat elektriciteit uit gas méér kost dan kolenstroom, zo maar is door te berekenen aan huishoudens, kantoren en fabrieken in heel het Verenigd Koninkrijk.

Drie jaar geleden aanvaardden de regering-Thatcher en het ministerie van energie de stelling dat de kosten van kernenergie die van energieopwekking uit steenkool met veertig procent teboven gaan. Toch werd in diezelfde tijd het advertentiebudget voor kernenergie opgekrikt om te suggereren dat kernenergie milieuvriendelijker was - een stelling die nog altijd onvoldoende is bewezen, ondanks alle geheimhouding en beveiliging waarmee deze energieproducent zich omgeeft. De "geheime energie'-plannen waren al sinds mevrouw Thatchers intrek in Downing Street 10 nucleair geweest, en dat zijn ze nog altijd, ten nadele van ieder alternatief.

Toen de Fransen hun energiebeleid ophingen aan door de staat gesubsidieerde kerncentrales die in tachtig procent van de elektriciteitsbehoefte voorzien, hielden ze nauwelijks rekening met de latente lasten voor samenleving en milieu.

Uit andere EG-landen kwamen slechts gedempte protesten toen Frankrijk met zijn nucleaire veren pronkte. Iedereen in Europa leek wel zijn eigen energieweg te kunnen kiezen, ongeacht de consequenties. Wil de Europese Gemeenschap haar idealen recht doen, dan moet men de schijnwerpers van het debat richten op een volledig geïntegreerd Europees energiebeleid dat veilig is voor alle betrokken volkeren.

Op dit moment beloopt de wereldhandel in stoomkolen ongeveer 145 miljoen ton, waarvan rond zeventig miljoen ton wordt geïmporteerd in West-Europa als geheel. Echter, de steenkool die de Britse mijnen leveren aan Britse elektriciteitscentrales staat gelijk met 55 procent van de wereldhandel in stoomkolen, terwijl de bijdrage ervan aan het mondiale broeikaseffect slechts een half procent bedraagt.

De feitelijke bedreiging van het milieu is van geheel andere omvang. China, weldra de grootste kolenstoker met 1.400 miljoen ton per jaar, heeft in het geheel geen milieuwetgeving. Rusland en de VS zijn eveneens grootverbruikers van steenkool. In 1989 werd de toenmalige directeur van British Coal, Sir Robert Haslam, geconfronteerd met de hard van stapel lopende nieuwgevormde elektriciteitsmaatschappijen die het gebruik van geïmporteerde kolen en olie wilden vergroten.

Haslams commentaar was profetisch: “Als de binnenkort te privatiseren Britse elektriciteitsbedrijven hun prognoses baseren op de invoer van twintig miljoen ton steenkool, dan zullen de prijzen drastisch gaan stijgen, zal de Britse betalingsbalans worden ondermijnd, zullen de Britse mijnen worden gesloten en krijgt het land te maken met een energiecrisis die ernstiger is dan de oliecrisis van de jaren zeventig.”

Economen van de universiteiten van Leeds en Oxford voorspellen nu reeds dat het tekort op de betalingsbalans per jaar met een miljard pond gaat toenemen als gevolg van de oplopende energiekosten. Eenmaal gesloten mijnen kunnen slechts in uitzonderingsgevallen en tegen hoge kosten worden heropend. De aardgasreserves kunnen door het toenemende verbruik in twintig jaar worden uitgeput.

Na het verlies van zijn wereldrijk lijkt Groot-Brittannië nu ook zijn vermogen te hebben verloren om koploper te zijn in wetenschappelijke en culturele revoluties. Daar waar eens het hart van Engelands trotse industrie klopte, vindt men nu nog slechts kaalslag en een gedemoraliseerde bevolking. De werkloosheid in deze gebieden nadert de negentig procent en voor schoolverlaters zijn er geen vooruitzichten.

Als de Britse regering blind blijft voor de feiten, afgezien van bijzondere parlementaire commissies en andere doekjes voor het bloeden, zal het land zware economische averij oplopen met als gevolg dat Groot-Brittannië de straatarme, kwakkelende bloedverwant in Europa wordt die bij zijn vroegere concurrenten om een aalmoes bedelt.

De eigen Britse steenkool is dus van essentieel belang voor de wedergeboorte van de industriële basis. De Britse eilanden kennen bovendien een van de winderigste klimaten op het noordelijk halfrond. Wind- en getijdenenergie bieden, in combinatie met zonnetechnologie, een rijk exportpotentieel. Wat betreft windturbines zouden de Britten moeten concurreren met de perfectionistische Denen en de pragmatische Nederlanders. Nieuwe ecologische produkten en schone, energiezuinige industrieën en levenswijzen vormen een eerste vereiste voor een betere toekomst.

Als steenkool op een meer verantwoorde manier wordt verbrand, kan zuiniger worden omgegaan met de slinkende voorraad gas en olie. Het is een verstandig principe te zorgen dat men zo lang mogelijk voort kan met de produkten uit eigen tuin. Groot-Brittannië beschikt als enige land in Europa over niet alleen rijke voorraden fossiele maar ook een aanzienlijke hoeveelheid natuurlijke energiebronnen. Bij een op steenkool en natuurlijke energie gebaseerd beleid zou het land zich zelfs uitvoer van gas en steenkool kunnen permitteren.

De Britse regering kan de thans geboden gelegenheid te baat nemen om een landelijk milieu- en energiebeleid te gaan voeren dat tevens verkeer, elektriciteitsvoorziening, gezond bouwen en de gezondmaking van het milieu omvat. En politici, ambtenaren en andere instigatoren hoeven niet ver te zoeken om zo'n beleid in werking te zien. Minister Michael Heseltine hoeft daarvoor niet eens meer terug naar Maastricht.

Als Engelsman wonend in Nederland zou ik hem graag de windenergie-batterijen laten zien die langs de Nederlandse kust en op het Friese platteland uit de grond schieten. Dan zal ik hem meevoeren door het modeldorp Ekolonia en me discreet terugtrekken wanneer zijn Nederlandse ambtgenoot hem vertelt van het wonderbaarlijke staaltje denkwerk waartoe de sluiting van de Nederlandse kolenmijnen in de jaren zeventig heeft geleid. Het Nederlandse Nationaal Milieubeleidsplan is een klinkend voorbeeld van de integratie van energiebeleid, beheer van bodemschatten en het scheppen van een sociale en ecologische infrastructuur die zich uitstrekt tot iedere individuele burger.

De Nederlanders lijken wel instinctief te weten wanneer het tijd is om de vinger in de dijk te steken. Het wordt tijd dat ook de Britten dat doen.