Het CPB is alleen in schijn onfeilbaar

Het mag bekend zijn dat de Rijksoverheid haar greep op de economische sturing van het land vrijwel geheel en kennelijk moeiteloos uit handen heeft gegeven. De afwachtende houding jegens de SER, die inmiddels geleid heeft tot volslagen afhankelijkheid, doet kritische geesten pijnlijk aan, vooral wanneer het mensen zijn die - in hun werksituatie bijvoorbeeld - wel behoefte hebben aan advies maar niet aan dictaten.

Wie regeert er eigenlijk? Het overlegmodel. De regering regeert dus niet, zij baant wegen en effent paden, hopend (en veelal gelukkig terecht) op het gezonde inzicht van de andere partners in het overleg.

Pijnlijker dan met de SER is de relatie van de regering met het Centraal Planbureau, een eigen maar toch onafhankelijk adviesorgaan. Blijkbaar geheel kritiekloos onderwerpt de regering zich bij herhaling aan de uitkomsten van het economisch-econometrisch model zoals dat door het CPB wordt gehanteerd. Al vele jaren kan men vernemen dat dit model tot de beste ter wereld behoort. Dat zal wellicht het geval zijn, maar er is ook een ander aspect dat aanleiding moet zijn de absolute waarde die aan de CPB-uitkomsten wordt gehecht, enigszins te relativeren.

Er is een model dat methodologisch uiteraard vast en statisch is, er zijn uitkomsten die tot beleidsinstrumenten kunnen dienen en tot slot is er een input, gegevens die men in het model invoert, want het model zelf is leeg. En in deze input ritselt het van de variabelen - overigens volstrekt verklaarbaar en aanvaardbaar.

Enkele van deze bepaald niet keiharde variabelen kennen wij allemaal: de dollarkoers in 1993, de ontwikkeling van de loonsom van de werknemer, ontwikkeling van de bedrijfsinvesteringen enzovoort.

De uitkomst van het CPB-model wordt dus enerzijds bepaald door het wetenschappelijke en objectieve model waarop persoonlijke en subjectieve invloeden uitgesloten (behoren te) zijn en anderzijds door de input. Deze input, voor een niet gering deel gebaseerd op schattingen en prognoses, is minder hard en objectief en heeft in veel gevallen geen mathematische zekerheid. Dit is niet erg, maar het is nuttig dit nog eens te onderstrepen. Derhalve is de hardheid van de uitkomsten van de rekenpartij in veel gevallen ook minder groot dan bij de presentatie van een CPB-uitkomst door het CPB danwel de media wordt gepretendeerd en welke pretentie door anderen zonder een spoor van de geringste twijfel wordt erkend. Hoor bijvoorbeeld minister De Vries - zelf econoom nota bene, waarschijnlijk een econometrist, pure cijferaar zonder enige neiging tot eigen interpretatie - die onmiddellijk begint te roepen dat één en ander dramatisch verslechtert. Dat kan best het geval zijn, maar niet op basis van één signaal.

Wat hij moet doen is de ongeveer vijf economische faculteiten in Nederland opdracht geven modellen te bouwen en prognoses te maken die naast die van het CPB kunnen worden gelegd. Net zo min als een opiniepeiling (bij verkiezingen) bij gebrek aan concurrerende peilingen "dus' juist is, kan het zo zijn dat het CPB per definitie de juiste ziener in Nederlands economische toekomst zou zijn. Wel de enige, niet dáárom de juiste.

Mochten economische faculteiten of andere onderzoeksinstelligen reeds op dit vlak werkzaam zijn, waarom houden zij dan hun kennis en resultaten verborgen? Mochten zij in vakbladen hun prognoses ten beste geven, waarom pikken de economische redacties van kranten en weekbladen die dan niet op? Bij mij, geteisterd als ik soms word door intellectuele twijfel, bestaat er grote behoefte aan bedoelde additionele informatie. En op werkgevers- en werknemersniveau behoort die behoefte ook aanwezig te zijn. Want uit die hoek hoor ik ook nooit wezenlijke kritiek op het CPB.