"Grote mensen hebben nooit iets leuks'; Profiel van ASTRID LINDGREN

Astrid Lindgren is zaterdag zo stilletjes mogelijk vijfentachtig jaar geworden. Haar grootste wens was een advertentie in alle kranten, met de mededeling dat ze haar verjaardag in de Gobiwoestijn zou vieren. In 1945 debuteerde ze met wat nog steeds haar bekendste boek is: Pippi Langkous. In maart van dit jaar gaf ze te kennen de pen neer te leggen. Lindgren heeft nooit voor volwassenen willen schrijven: “Ik wil schrijven voor lezers die nog wonderen kunnen doen”.

Toen Astrid Lindgren eens gevraagd werd hoe het voelt om 's werelds beroemdste kinderboekenschrijfster te zijn, verklaarde ze: “Dat voelt helemaal niks. Er zijn als het ware twee personen, ik en de schrijfster.” En van "dat mens' had ze vaak schoon genoeg: “Van over de hele wereld komen ze om hier op de bank te zitten. Ik hoor mezelf steeds dezelfde dingen zeggen en dan word ik zo moe van die beroemde schrijfster.” Het begon allemaal in 1945 met Pippi Langkous en pas in maart van dit jaar verklaarde Astrid Lindgren dat het welletjes was, omdat ze moe is en bijna blind. Inmiddels waren er een kleine tachtig boeken verschenen, waaronder bestsellers als De kinderen van Bolderburen, Michiel van de Hazelhoeve, Karlsson van het dak, De gebroeders Leeuwenhart en Ronja de roversdochter. Lindgrens werk is zo vaak bekroond dat ze eens een bordje op de deur hing "Prijzen worden geweigerd' en het is in tientallen miljoenen exemplaren over de aardbol gegaan. Van Pippi Langkous bedraagt alleen al de Amerikaanse oplage meer dan vijf miljoen en in het Zweedse kinderboekeninstituut beslaat de Lindgrenafdeling zo'n twintig strekkende meter boek. Aan die wereldwijde verspreiding leveren de vele schitterende verfilmingen ongetwijfeld hun bijdrage.

Voor de schrijfster zelf ligt de werkelijke bevestiging in het enthousiasme en de dankbaarheid van haar lezers: een vrouw die haar een papiertje in de hand stopt (“dank u voor het opvrolijken van een druilerige jeugd”), een Nederlandse schoolklas die laat weten dat De gebroeders Leeuwenhart elk jaar de Gouden Griffel zou moeten krijgen. Postzakken vol brieven (Aan Pippi Langkous - Zweden) heeft ze gelezen en beantwoord. Uit Rusland kwam het verzoek om een bouwtekening van Karlssons vliegapparaat en een jongetje uit het Ruhrgebied vroeg om een landkaart waarop het eiland Zeekraai te vinden was. Daar wilde hij naartoe en hij was al begonnen Zweeds te leren.

Lindgrens publiek is het beste dat ze zich kan wensen en de auteur heeft zich altijd tegen iedere suggestie gekeerd dat het na al die kinderboeken misschien eens tijd werd voor iets anders. “Ik wil schrijven voor lezers die nog wonderen kunnen doen. Zij blazen onze armzalige zinnen en woorden het leven in dat er oorspronkelijk aan ontbrak. Alle grote dingen in onze samenleving zijn eerst in iemands verbeelding gebeurd en het aanzien van de wereld van morgen hangt voor een belangrijk deel af van de verbeeldingskracht van de kinderen die nu leren lezen.” (Uit het dankwoord bij de aanvaarding van de Hans Christian Andersenprijs).

Binnen de jeugdliteratuur, waar echt groten als Andersen, Collodi, Carroll en Milne vaak heel andere ambities hadden dan het schrijven van een kinderboek, is Lindgrens consequente keuze eigenlijk uitzonderlijk. Hij wordt altijd in verband gebracht met haar idyllische jeugd op het Zweedse platteland, waar Astrid Ericsson in 1907 - in het "Paardentijdperk' - werd geboren. Ze had lieve verstandige ouders en leerde de feiten van het leven van de knechts, de meiden en de zwervers waar ze op de boerderij dagelijks mee omging. Maar het belangrijkste was het spelen met haar broers en zusjes, zoals ze vertelt in Het land dat verdween: “We klauterden als apen in bomen en op daken, we sprongen van houtstapels en hooizolders tot onze ingewanden ervan jammerden, we kropen door onze levensgevaarlijke onderaardse gangen in de grote hoop zaagsel, we zwommen in het riviertje toen we nog lang niet konden zwemmen, en vergaten daarbij de wijze woorden van onze moeder: "Niet verder dan tot je navel'. Maar we overleefden het alle vier.”

“Dat Onze Lieve Heer kinderen kinderen laat zijn vóór ze volwassen worden, was een van zijn betere ideeën”, verklaarde de schrijfster eens en toen zij zich op haar twaalfde jaar realiseerde dat spelen niet langer spannend was, vond ze dat inzicht onverdraaglijk. De kinderen uit het dorpje Bolderburen, Madieke en vooral de boerenbengel Michiel zijn uit heimwee geboren. Schrijven betekende de mogelijkheid om naar het verloren paradijs terug te keren. De Duitse Boekhandel mag haar Vredesprijs in 1978 hebben toegekend "Aan een schrijfster die behoedzaam, maar nadrukkelijk opvoedt tot verdraagzaamheid, oprechtheid, begrip en verantwoordelijkheid', zelf heeft Lindgren altijd ontkend pedagogische bedoelingen te hebben. En ze zegt bij het schrijven evenmin kinderen voor ogen te hebben: “Er is geen ander kind dat mij kan inspireren dan het kind dat ik zelf eens ben geweest.”

Verwonderlijk is het daarom niet dat Pippi Langkous haar vrienden Anneke en Tommy aan het slot van hun avonturen weet over te halen tot het innemen van een pil tegen het groot worden, want: “Grote mensen hebben nooit iets leuks. Zij hebben alleen maar een heleboel vervelend werk en gekke kleren en likdoorns en inkomensbelasting.” De pil moet in het donker worden opgegeten, onder het uitspreken van de bezwering: “Lief klein pilletje peperneut / ik wil nimmer worden greut”. Nee, dat moet zeker niet "groot' zijn, want als Pippi "greut' zegt, bedoelt ze ook "greut'. Volgt een krankzinnig verhaal over de vreselijke groeigevolgen voor wie per ongeluk "groot' zegt.

Lindgren begon de verhaaltjes over haar roodharige, door niets of niemand gebonden heldin - waarover haar man opmerkte "Pippi is geen boek, ze is een uitvinding' - in 1941 aan haar dochtertje te vertellen. Wie ze een halve eeuw later giechelend en handenwrijvend leest, kan alleen maar vaststellen hoe revolutionair en bevrijdend dit boek moet zijn geweest in een tijd dat kinderen nog niets in de melk te brokkelen hadden.

In haar proefschrift over Pippi Langkous Het kind van de eeuw (1979) benoemt Ulla Lundqvist "het recht van kinderen op respect' als Lindgrens belangrijkst thema. Een half jaar geleden legde Marijn van der Jagt in De Groene Amsterdammer een lange, hartstochtelijke liefdesverklaring af, waarin ze Pippi schildert als een van de helden die haar de weg door het leven wijzen. Ze bewondert het meisje met de twee verschillende kleuren kousen, omdat ze een "lone ranger' is die genoeg heeft aan zichzelf, omdat ze lak heeft aan school en omdat ze de waarheid zo knap naar haar eigen grillige hand weet te zetten. “Wat Pippi tot een waarlijk moderne held maakt, is haar niet aflatende strijd tegen de orde. De orde die volwassenen gebruiken om het leven te structureren. De orde die de angst voor de chaos bezweert maar die ieder avontuur buitensluit.”

Korte tijd heeft het ernaar uitgezien dat de volwassenen deze aanval op hun orde niet zouden accepteren. Toen Pippi al ruim een jaar succes had, verscheen er een krantepaginavullende aanval van een bekende Zweedse pedagoog die het boek walgelijk en schadelijk voor de kinderziel vond. Welk kind at er nu een hele taart op haar verjaardag? Pippi was niet normaal. Waarop Lindgren antwoordde, dat wie een paard op één hand in de lucht tilt, misschien ook wel een hele taart aankan.

In het begin van de jaren zeventig moesten De gebroeders Leeuwenhart het ontgelden. Bezorgde volwassenen zagen er een onverantwoorde aanzet tot zelfdoding in en Marxistisch georiënteerde literatuurstudenten beschuldigden Lindgren van escapisme, omdat ze een sprookje had geschreven in de tijd dat de wereld verbeterd diende te worden. De schrijfster verblikte of verbloosde niet: “Ik heb me nooit iets aangetrokken van wat anderen deden of vonden dat ik zou moeten doen.”

Ook in haar persoonlijk leven is Astrid Lindgren onverstoorbaar haar eigen weg gegaan en ze heeft zich zeker niet als een zweverige kinderboekenmevrouw ver van elke maatschappelijke ontwikkeling gehouden. Toen ze achttien was kreeg ze haar eerste kind zonder van de vader te willen weten. In een tijd dat het ongehuwde moederschap nog een groot taboe was, stelde ze alles in het werk om haar kind te kunnen behouden. In 1976 zorgde ze voor politieke opschudding, toen bleek dat ze 102 procent belasting moest gaan betalen. Ze schreef een sprookje in het gezaghebbende dagblad Expressen, dat een stortvloed aan reacties veroorzaakte. De minister van financiën stelde minzaam dat "Mevrouw Lindgren een uitstekend sprookjesschrijfster, maar een slechte rekenaarster' was, maar dat liet ze niet op zich zitten. Acht artikelen schreef ze in de krant, waarvan het laatste aldus eindigde: “Politiek is de kunst mensen ervan af te houden zich te bemoeien met dingen die hen aangaan, en de sociaaldemocraten weten dat het best. Zij zullen wel beslissen waar we moeten leven en werken, wat we moeten voelen en denken, alles. Het is tijd dat we daar verandering in brengen en een nieuwe regering krijgen.” En aldus geschiedde!

Een aantal jaren geleden stortte Lindgren zich opnieuw op het bewerken van de publieke opinie. Vasthoudend als een foxterrier ging ze in de aanval tegen de onwaardige praktijken in de intensieve veehouderij. Haar open brieven aan de directeur van de slachterijbond, de minister van landbouw en de minister-president bevatten heldere betogen, waar geen speld tussen te krijgen was. De toon was fel en sarcastisch. Ze interviewde de kip Lovisa en de Zeug Augusta en ze betoogde dat een koe ook wel eens een echte stier wil in plaats van zo'n soort injectiespuit. Weer kreeg ze haar zin. Er werd een nieuwe wet aangenomen, de Lex Lindgren, waarin voor koeien, varkens en kippen meer ruimte, gras en buitenlucht gegarandeerd wordt. Opnieuw had Lindgrens verbondenheid met het land van haar kindertijd tot iets goeds geleid.

Toch staat dat belang in de schaduw van de hoge stapel kinderboeken, waarvan de meeste hun schepper met gemak zullen overleven. Op een Zweedse school verscheen eens een mevrouw die zich bezig hield met de verspreiding van De Schrift. Ze hield de Bijbel omhoog en zei tegen de klas: “Dit is het beste boek van de wereld en weten jullie wie dat geschreven heeft?” Direct had een jongetje zijn antwoord klaar: “Ik weet het niet zeker, maar dat moet Astrid Lindgren geweest zijn.” Het is niet ondenkbaar dat Onze Lieve Heer deze vergissing met gepaste trots door de vingers heeft gezien.

    • Bregje Boonstra