ERNST HAPPEL 1925-1992; Magiër met een Belga-sigaret

"In mijn leven bestaat de gang naar Pontius Pilatus niet'. Met dit credo heeft Ernst Happel zich altijd gehandhaafd in de bikkelharde business van het profvoetbal. Al sinds zijn entree als 13-jarige pupil bij Rapid Wien, dat na de "Anschluss' in 1938 in de Duitse competitie was ingedeeld, wist Happel dat geen prestaties geen werk betekenden. “Ik ben mijn eigen broodgever. Op mezelf aangewezen. Als ik faal hoef ik niemand een klootzak te noemen en hoef ik ook niet bij Onze Lieve Heer te rade te gaan.”

Op een vraag van de Rotterdamse journalist Rob Vente of hij ooit bondscoach wilde worden antwoordde Happel: “Sicher, sicher, als ich seniel bin geworden.” Hij werkte toen als trainer bij Feyenoord waar Van Hanegem op een ochtend ostentatief een lichte afkeuring ventileerde over het drankgebruik van zijn trainer die het de vorige avond in zijn favoriete Rotterdamse stamcafé 't Haantje met kaarten en drinken blijkbaar wat te laat had gemaakt. Happel legde vijf ballen op een rij die hij vervolgens uit alle standen langs de verbouwereerde Eddy Treytel joeg, keek Willem brutaal aan, die het incident daarmee onmiddellijk als afgedaan beschouwde. Fingerspitzengefühl van vedetten onder elkaar.

Maar Happel vertoonde daarmee hetzelfde recalcitrante gedrag waarmee hij in de jaren vijftig in het Oostenrijkse nationale elftal soms een penalty met de hak inschoot of zijn eigen doelman de stuipen op het lijf joeg door keihard op het doel terug te spelen en daarbij de bal op de paal schoot. Uit die jaren - toen hij in het Oostenrijkse elftal waarvoor hij 51 keer werd geselecteerd in de verdediging een koppel vormde met Max Merkel - dateert ook zijn bijnaam "Weltmeister'. Een verzinsel van de journalisten omdat Happel nooit wereldkampioen is geweest. Als speler van het Oostenrijkse "Wunderteam' werd hij derde op het WK voetbal in 1954 in Zwitserland, waar hij na een meningsverschil kwaad per trein het land verliet.

Vorig jaar Kerstmis aanvaardde Happel op verzoek van de Oostenrijkse kanselier Franz Vranitzky, die hem een jaar eerder had onderscheiden met de uitreiking van de eerste Oostenrijkse voetbal-oscar, de baan van bondscoach. Een functie die door zijn slopende ziekte al snel ontaardde in een kantoorbaan. Zelf maakte hij cynische grapjes dat de praktijkman pur sang en leeuw van weleer was gekooid achter een bureau. Afgelopen week faxte de Oostenrijkse voetbalbond naar de DFB dat Happel woensdag niet mee zou komen voor de vriendschappelijke interland Duitsland-Oostenrijk. Zaterdag overleed Ernst Happel op 66-jarige leeftijd aan kanker in de universiteitskliniek van Innsbruck.

De opsomming van zeventien nationale- en internationale titels die Happel als trainer in Nederland, België, Duitsland en Oostenrijk heeft behaald doet daarbij nauwelijks recht aan het charisma, vakmanschap, faam en reputatie van de man die bij zijn leven al een legende was. Taktiek noemde hij "geloel'. “Ach was”, omschreef hij de gouden jaren bij Feyenoord waarmee hij in 1970 zowel de Europa Cup voor landskampioenen als de wereldbeker veroverde. “Taktiek? Das ist Rinoes, Willum und Coentje”. Israel, Van Hanegem en Moulijn, de ruggegraat van Feyenoord waarvoor Happel Franz Hasil aankocht. “Een Wiener, geen mentaliteit, maar net goed voor twee seizoenen”, sprak de sluwe vos.

Wenen is altijd blijven trekken aan Happel die aan de roulettetafels van Karinthië met dezelfde interesse en aangeboren instinct het kleine balletje volgde als de grote bal op het voetbalveld. Hij had het imago van een rokkenjager maar was in wezen een wat stille, zelfs verlegen man.

“Umfallen und Wegwezen”, omschreef hij kortgeleden in Elsevier zijn favoriete afscheid van dit leven. Het liefst aan de stamtafel van café Ritter in Wenen, waar één van de kameraden van vroeger, Johan Brunnbauer, na het drinken van een glas wijn zomaar dood van zijn kruk viel. Zo'n verscheiden leek Happel wel wat. Maar dat bleek niet weggelegd voor de voetbalmagiër met de onafscheidelijke Belga-sigaret tussen de lippen, die getooid met honkbalpet door de chemotherapie-behandeling nog slechts een karikatuur was van de mysterieuze trainer in de kracht van zijn leven, met zijn Mozart-kuif die in Duitsland zelfs maandenlang weigerde met journalisten te praten maar daardoor alleen maar meer respect afdwong.

Bij Feyenoord vestigde Happel met het hem aangeboren voetbalinstinct definitief zijn reputatie van gevierd internationaal oefenmeester. Maar in België, Duitsland en Oostenrijk, waar hij zes keer kampioen werd met Rapid Wien en slechts één keer van '54 tot '56 een uitstapje maakte naar Racing Club de Paris, is de man al evenzeer een voetbalrelikwie. Met Feyenoord, Club Brugge, Hamburg en FC Tirol werd Happel in totaal acht keer landskampioen. Met ADO, Feyenoord, Brugge, Standard Luik en Hamburg won hij in totaal zes nationale voetbalbekers. Met Feyenoord en Hamburg veroverde hij de Europa Cup voor landskampioenen, met de Rotterdamse club ook de wereldbeker. Met Hamburg en Club Brugge stond hij in totaal drie Europa-Cupfinales die hij verloor.

In 1974 stond Happel al op de nominatie om het Nederlands elftal te begeleiden op het WK. Het werd Michels, door Happel loyaal betiteld als "ein ausgekochte Fuchs', die op het hoogtepunt van de gouden eeuw van het Nederlands voetbal met een Oranje met Johan Cruijff in topvorm zilver behaalde. Toen Happel vier jaar later van de KNVB in Argentinië een herkansing kreeg waren de omstandigheden beduidend ongunstiger. Mede door de acties van Freek de Jonge vertrok het elftal door een zijdeur van Schiphol naar het indertijd dictatoriale Argentinië van Videla, een toernooi waarvoor Happel tevergeefs Johan Cruijff over de streep had proberen te trekken. “Mit der kleine dabei waren wir auf einem Bein noch Weltmeister geworden.”

Happel die op de heenreis naar Mendoza tweeëndertig uur had zitten klaverjassen realiseerde zich de mission impossible van Oranje, die eindigde toen Rensenbrink enkele minuten voor tijd in de finale tegen het gastland Argentinië tegen de paal schoot. Later verklaarde Happel dat Nederland die wedstrijd nooit had kunnen winnen. Ook al had het "slangemens' gescoord. Dat was hem al duidelijk toen er vlak voor de finale problemen waren met de armbeschermer van René van de Kerkhof. Een incident waarbij Happel de enige was die geen spoor van nervositeit toonde. “Zeg tegen die joker (de scheidsrechter) dat we dan een uur later beginnen”, zei hij tegen zijn assistent Zwartkruis, de beroepsmilitair die ook al diep onder de indruk van zijn aanpak was. “Happel bemoeide zich niet met alles. Maar een opstand van spelers zou hij nooit tolereren. Hij had die mensen vernietigd.”

“Stimmt”, sprak Happel twaalf jaar later bij FC Tirol, waar hij zich alweer opmaakte voor een nieuw trainersavontuur in Duitsland of Italië. “Toen ik hier kwam heb ik er dertien spelers uitgesodemieterd. Wanneer ik voetballers inspraak geef hebben ze iedere vijftien minuten weer wat anders”, sprak hij met bijna filosofische ondertoon over zijn trainersloopbaan die alleen bij Harelbeke en Sevilla een uiterst kort leven beschoren was.

    • Marc Serné