De grenzen van een immigratieland

Heeft de staatssecretaris zich versproken toen hij melding maakte van zijn voornemen om desnoods "met harde hand' de illegalen te doen "verdwijnen'? Laten we zeggen dat het een verspreking met voorbedachten rade was. Sommigen noemen dat beleid, anderen een schandaal. Hoe het ook zij, Aad Kosto speelt wel degelijk met de gedachte om aanzienlijk meer illegalen het land uit te zetten en hij hoopt dat daarvan een afschrikkende werking uitgaat op potentiële gelukzoekers van elders.

De scherpe taal over illegalen komt voort, zeggen de PvdA-bestuurders, uit de wens om het vertrouwen van de burgers in de rechtshandhaving en de politiek te herstellen. Zelfs al zouden we dat willen geloven, dan nog draait het uit op een verder verlies aan geloofwaardigheid. Aan de harde uitspraken zal namelijk geen gevolg worden gegeven, eenvoudigweg omdat de PvdA diepgaand is verdeeld over dit onderwerp en omdat men de middelen die nodig zijn om de illegalen in groten getale te verwijderen niet kan of wil gebruiken.

De polemiek van de afgelopen weken kent dan ook alleen maar verliezers. Zelfs de pretentie als zou door de harde uitspraken een debat zijn uitgelokt, houdt bij nader beschouwing geen stand. Juist door zo rücksichtslos te spreken is de discussie ontspoord en voelde de PvdA zich blijkbaar gedwongen om tijdens de bijeenkomst in Den Haag een schijneenheid te tonen. Het debat was al gesmoord voordat het goed en wel kon beginnen.

De omgang met immigratie (legaal en illegaal) is van een principieel belang. Het gaat uiteindelijk om de vraag hoe een open samenleving zich kan handhaven in een grenzeloze wereld, zoals een commentator van Die Zeit schreef. Er zijn twee gevaren die onze democratische cultuur kunnen gaan bedreigen.

Het ene risico is een volksverhuizing, die de sociale en culturele rek van de samenleving te boven gaat. Er zijn grenzen aan wat Nederland kan verwerken, daarover hoeft niemand zich illusies te maken. Een blik op de worsteling van onze Oosterburen laat zien dat het vermogen om immigranten op te nemen beperkingen kent. Dat in Nederland nu al een dergelijke grens zou zijn bereikt, lijkt onwaarschijnlijk. Het aantal hier verblijvende vreemdelingen, illegalen meegerekend, bedraagt ergens tussen de 5 procent en 6 procent van de bevolking.

Dat neemt niet weg dat geprobeerd moet worden om de toestroom van immigranten beheerst te laten verlopen, zo goed en kwaad als het gaat. En daarmee komt ook het probleem van illegalen aan de orde, want die onttrekken zich immers bij uitstek aan elke poging tot regulering. Gemakzuchtige oplossingen als een generaal pardon voor de hier verblijvende illegalen werken niet. Op die manier wordt het probleem vooruit geschoven en op termijn alleen maar groter.

Het andere risico is dat de manier waarop de immigratie wordt beheerst de essentie van een open, tolerante samenleving kan gaan weerspreken. Daarover hoort men Kosto en de zijnen nauwelijks. Niemand wil een land dat vergeven is van de politiecontrole, identiteitsbewijzen, scherpere grensbewaking, verklikkers, enzovoorts. Althans dat mogen we hopen. Wie zich dergelijke dwangmiddelen onzegt, aanvaardt dat er altijd illegalen in Nederland zijn, net zoals bijvoorbeeld de prostitutie in weerwil van alle wetgeving nooit is uitgebannen. Dat is nu eenmaal de prijs van een open samenleving.

Door alle opwinding is de indruk gewekt dat Nederland een zeef is waar eenieder die het wil doorheen kan glippen. Dat valt reuze mee. Zelfs de hoogste schattingen van het aantal illegalen - 150.000 wijzen niet op een ongeremde toeloop. Het lijkt heel verstandig dat de gemeentepolitie zich hoofdzakelijk toelegt op het tegengaan van de criminele en frauduleuze aspecten van de illegaliteit.

In algemene zin wordt in Nederland op een zeer terughoudende manier met immigratie omgesprongen. In een land waar mensen uit het voormalige Joegoslavië, die werkelijk in alle opzichten als vluchteling kunnen worden betiteld, slechts de geïmproviseerde status van "ontheemde' kunnen krijgen, kan men niet van een overdreven ruimhartig beleid spreken.

De cijfers laten dat ook zien. Van de 17239 mensen die asiel aanvroegen gedurende het vorig jaar zijn er niet meer dan 775 als vluchteling erkend en hebben er nog eens 1920 een verblijfsvergunning op humanitaire gronden gekregen, 14544 werden afgewezen, terwijl er in datzelfde jaar niet meer dan 4006 asielzoekers Nederland zijn uitgezet. Met enig recht kan dus worden gezegd dat het zeer restrictieve asielbeleid mede illegaliteit uitlokt.

Iedereen is gedwongen om te laveren tussen de twee uitersten van legalisering en uitzetting van illegalen op grote schaal. Aan het debat over het terugdringen van illegale vormen van immigratie kan niemand zich onttrekken, daarin heeft Kosto gelijk. Maar dan gaat het wel om een meningswisseling in het besef van de praktische en morele grenzen die gelden bij de omgang met illegalen en die zijn beide uit het oog verloren de afgelopen weken.

Uiteindelijk wordt de PvdA (en met haar de andere partijen) verscheurd door de vraag of Nederland een "immigratieland' is. Ja, suggereert Pronk op een nogal vage manier. Nee, zegt Kosto heel wat beslister. Hoewel, wat hij zegt, is ook niet zo heel duidelijk. In een lezing beweert Kosto eerst dat Nederland "de facto' een immigratieland is, en even later merkt hij op dat “Nederland geen immigratieland wil zijn” (Kosto in de De Rode Hoed op 30 september). Achter deze verwarring, gaat een grote onzekerheid schuil over de vraag of in Nederland langzaam een grens is bereikt aan de opname van immigranten. Dat is uiteindelijk de werkelijke vraag, ook volgens Kosto, want daaruit leidt hij de urgentie van het tegengaan van illegaliteit af.

Wat is nu een "moedige' politiek in deze omstandigheden? Kosto zal zeggen dat het, eventueel met harde hand, uitzetten van illegalen en het zoveel mogelijk weren van immigranten daarvan getuigt. Nederland is volgens hem immers "vol': “misschien niet direct wat betreft het grondgebied, maar wellicht wel in de verschillende sectoren van de sociale kaart”. Pronk beweert daarentegen dat het hardhandig voorbereiden van de publieke opinie op de volksverhuizing die nog gaat komen een voorbeeld van politieke moed is. Nederland kan zich immers niet zomaar afsluiten van de komende migratiestromen.

Het werkelijke debat speelt zich af in de ruimte die ligt tussen het beroep door Kosto op welvaartsegoïsme en het wat machteloze mondialisme van Pronk. Hun beider politiek is namelijk gebaseerd op angstige overdrijving. Daarbij valt het wel op dat politici als Kosto altijd namens anderen spreken, liefst "de mensen in de oude wijken' voor wie de tolerantiegrens reeds zou zijn overschreden. Nooit spreken ze namens zichzelf.

Niemand weet momenteel aan te geven waar de sociale en culturele grenzen van Nederland als immigratieland liggen. Zeker is wel dat het onheuse gepolemiseer over illegalen die grenzen niet heeft verruimd. Deze onzekerheid dwingt tot een terughoudende omgang met immigratie en illegaliteit, waarbij elke suggestie van hardhandige oplossingen in welke richting dan ook, wordt weersproken. Juist omdat er geen gemakkelijke uitwegen zijn, moet zonder stemverheffing worden gesproken. Het is beter geen kleine politiekjes te bedrijven met een in alle opzichten groot humanitair vraagstuk.