De bewaking der vetpotten

Het verbijsterende aan de Nederlandse behandeling van het zogenaamde illegalenvraagstuk is dat men - d.w.z. de vreemdelingenhaters zowel als degenen die denken dat een "zuivere toepassing van de wet' uitkomst biedt - doet alsof dit een binnenlandse kwestie is.

Degenen die in Nederland "illegalen' worden genoemd zijn, als het welvarende, verblinde Westen op dezelfde voet voortgaat, de voorhoede van een volksverhuizing die hier het politieke systeem zal ontwrichten bijgevolg waarvan men "daar' - dat zijn de gebieden waar de "illegalen' vandaan komen - nog verder in het moeras zal raken zodat de volgende jaren, nog voor het einde van de eeuw, het kwadraat van een volksverhuizing te zien zal geven.

Het is al te menselijk: relatief kleine vraagstukken naast de deur zijn altijd vele malen groter dan de ernstigste vraagstukken aan de andere kant van een zee of met een groot land ertussen. Daarbij komt dat met de televisie en de daarmee verbonden "openbaarheid' ieder vraagstuk zijn conjunctuur heeft. Vandaag zijn het de "illegalen', morgen is het een verkeerd verzwaarde dijk of de nagevorderde belasting van gescheiden niet-kostwinners die al tien jaar ten onrechte een uitkering hebben, overmorgen zijn het de gemotoriseerde Groningse hoerenlopers die door de geheime zedenpolitie worden achternagezeten. Aan al die vraagstukken geeft de televisie vooral een schijn van openbaarheid want het imago der betrokkenen verdraagt zelden dat het publiek op de hoogte gesteld wordt van alle feiten. Hoe dan ook: dit weekeinde zijn het de "illegalen'.

Het eerste beletsel om het vraagstuk op te lossen is het uitgangspunt. Zoals zo dikwijls in dit land denkt men dat men met een legalistisch perfectionisme, uitgevoerd door een bureaucratisch apparaat, een vele malen gecompliceerder werkelijkheid met succes te lijf kan, en dit met behoud van de rechtvaardigheid. Ogenblikkelijk blijkt al dat de beste deskundigen niet weten hoeveel "illegalen' er hier zijn: de schattingen variëren van 70.000 tot 150.000; een verschil dat ieder perfectionisme al tot een hachelijk onderneming maakt. Het tweede beletsel, voortvloeiend uit het eerste is dat een opsporingsapparaat dat de aanwezigheid van 70.000 tot 150.000 "illegalen' zou willen opheffen, geweldige bevoegdheden zou moeten hebben, een aardse almacht, om zijn werk goed te kunnen doen. Het derde beletsel is dat zo'n almacht misschien wel tot veel in staat zou zijn behalve tot een consequent handelen in overeenstemming met de rechtvaardigheid. Willekeur is ingebouwd. Zelfs nu al, terwijl zo'n almacht nog niet eens in oprichting is, zien wel al waarom die in voltooide staat hier niet zou kunnen werken. Er zijn teveel protesten, of zoals men zegt: "het politieke draagvlak ontbreekt'. Dat is het vierde beletsel. En dan het vijfde: een aantal "illegalen' heeft economische waarde en botst daardoor met een andere falende perfectie die is voortgekomen uit de verzorgingsstaat.

De betrekkelijke hoogte van de uitkeringen veroorzaakt schaarste aan arbeidskrachten die het werk op het laagste niveau willen opknappen. Met geen stok is een aantal autochtone dames en heren die daarvoor in aanmerking zou komen, aan het bollen pellen te zetten terwijl de bollenteelt om werkkrachten schreeuwt. Dan regelen vraag en aanbod zich in dergelijke bedrijfstakken buiten de immigratiewet om. In het buitenland maar ook in Nederland is dat geen nieuw verschijnsel. De eerste en tweede generatie "gastarbeiders' zijn er het gevolg van. Degenen die daartoe horen hebben zich allang min of meer aangepast en in ieder geval gevestigd. Dit is gebeurd toen de volkswijsheid wist dat Nederland "vol' was.

Als de ene vorm van perfectionisme zich consequent toelegde op de illegalenjacht en de andere zich beijverde om uitkeringstrekkers naar het beschikbare werk te jagen: wie weet zou het in zo'n verkapte politiestaat misschien lukken, een deel van het vraagstuk op te lossen. Maar zo'n staat wil de meerderheid in Nederland nog niet en daarbij mag men zich ervan overtuigd houden dat de niet onaanzienlijke rest van het probleem zou blijven bestaan.

Nederland blijft in gezelschap van de andere welvarende Westeuropse landen tot de vetpotten van het werelddeel horen, en daarom immigratieland, zals ik twee weken geleden schreef. De heer Paul Kalma in de Volkskrant en minister Pronk, zaterdag op een bijeenkomst van de PvdA, vinden dat ook. Dat het immigratieland is en voorlopig nog zal blijven heeft in eerste aanleg economische oorzaken die niet met politiële maatregelen worden opgeheven. Om de vraagstukken die met de status van immigratieland samenhangen geringer te maken, moet men de economische verschillen tussen daar en hier verkleinen. Dat is een opdracht van de gemeenschappelijke buitenlandse politiek der rijke landen. Wie een greintje hoop koestert dat het thuis beter zal worden, denkt er niet aan de onzekere toekomst van een andere taal en cultuur tegemoet te gaan.

Hoe merkwaardig ontwikkelt zich overigens een woord. In de tiende druk van Van Dale heeft "illegaal' één betekenis: “strijdend tegen de geboden van een overweldiger of een andere niet erkende heerschappij. De Grote Adviescommissie der Illegaliteit”. In de twaalfde druk is deze roemruchte Adviescommissie verdwenen. De eerst genoemde betekenis is nu: “Immigranten zonder arbeids- en verblijfsvergunning”.