Belang Nederlandse industrie verdient permanente discussie

Uit diverse hoeken is de laatste weken aangedrongen op een Nederlands industriebeleid. De "strategische samenwerking' ofwel verkoop van Fokker aan DASA, de verkoop-op-termijn van Volvo Car (inmiddels NedCar) aan Mitsubishi en de dreigende verkoop van DAF aan Daimler-Benz hebben het ontbreken van elke vorm van industriebeleid duidelijk onderstreept.

Wie anno 1992 het woord industriebeleid in de mond durft te nemen wordt bijna persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor het RSV-deblâcle. De steunverlening aan het noodlijdende scheepsconcern vormde een schoolvoorbeeld van industriebeleid zoals het niét moet worden gevoerd: defensieve en geïsoleerde steun in een sector waarin Nederland weliswaar ooit concurrentievoordelen genoot, maar die reeds lang had verloren.

Een ander tegenargument luidt dat Nederland te klein is voor een zelfstandig industriebeleid. Een dergelijk beleid zou alleen op Europese schaal kans van slagen hebben, maar een Europees industriebeleid lijkt al evenmin een lonkend perspectief. Pogingen om in Europees verband tot gecoördineerde steunverlening te komen hebben immers geleid tot een wildgroei aan afkortingen en geldstromen die niemand meer kan overzien, en zijn vaak weinig succesvol geweest.

Hoe serieus deze argumenten in elke discussie over industriebeleid ook moeten worden genomen, ze onderstrepen hooguit de problemen bij het formuleren van een industriebeleid, en vormen in zichelf géén argumenten tegen een industriebeleid. Niettemin wordt aan deze argumenten zó veel gewicht toegekend dat elke discussie wordt geblokkeerd. De oorsprong hiervan schuilt minder in de kracht van de argumenten dan in het veranderde karakter van de Nederlandse economie sinds de jaren tachtig, en in de rol die de sociaal-democratie voor zichzelf heeft gedefinieerd.

Sinds de jaren tachtig wordt de Nederlandse economie vooral gedomineerd door niet-industriële belangen, zoals handel, transport, bankwezen en andere vormen van dienstverlening. De leus "Nederland Distributieland' is meer dan een leus: mede onder invloed van de Europese eenwording heeft de overheid honderden miljoenen geïnvesteerd in infrastructurele werken en in subsidies om buitenlandse ondernemingen te motiveren in Nederland hun Europese distributiecentra te vestigen.

Parallel aan deze ontwikkeling hebben ook de Nederlandse overheid en de sociaal-democratie hun bestaansrecht steeds meer geformuleerd in de "circulatiesfeer', als herverdeler. Industrie werd een vies woord, zowel wegens de hiermee geassocieerde milieuvervuiling, als wegens de weinig plezierige herinneringen aan het industriebeleid van de jaren zeventig. De overheid gaf haar rol op van initiator en medevormgever van de Nederlandse industrie, en verhief zich schijnbaar "boven de partijen' door iedere burger een bestaansminimum te garanderen. De sociaal-democratie verloor het contact met haar traditionele basis en werd een partij van bestuurders en verzorgers die alleen kon worden gemobiliseerd tegen aanslagen op de verzorgingsstaat.

In dit klimaat is een pleidooi voor (een discussie over) industriebeleid een riskante aangelegenheid. De enkeling binnen de Nederlandse ondernemerswereld, politieke partijen of de vakbeweging die zich toch hiervoor uitspreekt laadt al snel de verdenking op zich kwalijke deelbelangen te vertegenwoordigen die een aanslag beogen op het milieu of op 's rijks financiën. De voorstanders wordt eenvoudig niet het gezag toegekend dat tegenstanders ten onrechte wèl wordt toegekend.

Hoe deze inertie te doorbreken? Het is essentieel de gevolgen onder ogen te zien van de eenzijdige oriëntatie op niet-industriële deelbelangen. De Nederlandse economische groei blijft al jaren achter bij die van de meeste ons omringende landen, mede omdat de Nederlandse economie de afgelopen jaren nòg gevoeliger is geworden voor conjuncturele schommelingen. Wanneer economische groei wereldwijd inzakt (zoals thans), neigen handelsstromen disproportioneel te dalen. De Nederlandse economie wordt dus zwaarder getroffen door een internationale recessie dan haar buureconomieën.

In de jaren tachtig fungeerde technologiebeleid als substituut voor industriebeleid. Het Nederlandse technologiebeleid heeft vaak geleid tot interessante maar ook tot sterk gedepolitiseerde initiatieven. Zo werd de toekomst van Fokker terecht verbonden aan een goede technologische infrastructuur, maar werd onvoldoende naar wegen gezocht om de structureel kwetsbare positie van Fokker in de markt voor kleinere vliegtuigen te verminderen. Mede hierdoor was de onderhandelingspositie van de Nederlandse regering tegenover DASA relatief zwak, en is het overleven van Fokker afhankelijk geworden van strategische beslissingen die buiten Nederland worden genomen.

Industriebeleid is niet in de eerste plaats een kwestie van centen. Een discussie over industriebeleid vergt eerder een omslag in het denken. De wereld houdt niet op bij Roosendaal of Lobith, zeggen critici van een industriebeleid vaak terecht. Zij vergeten echter dat de internationale positie van de Nederlandse economie evenzeer de marges bepaalt van "Nederland Distributieland' als van "Nederland Industrieland'. Handel, transport en bankwezen verdienen ook in de toekomst veel aandacht van de Nederlandse overheid, maar het gaat te ver deze belangen een carte blanche te geven bij gebrek aan visie op een industriële toekomst. Wij pleiten voor een meer weloverwogen en expliciete keuze tussen industriële en niet-industriële belangen.

De suggestie van het PvdA-kamerlid Van Gelder om een industriefonds in het leven te roepen moet niet worden afgezet tegen eerdere en vergeefse pogingen om een Maatschappij voor Industriële Projecten op te richten. Veeleer kan een industriefonds een eerste stap zijn naar een herwaardering van de Nederlandse industrie, en naar de positie van en interactie tussen grote multinationale ondernemingen, toeleveranciers en kleinere ondernemingen gericht op de binnenlandse markt. Gezien de groeiende invloed van banken op de strategievorming van ondernemingen als DAF, Fokker en Volvo Car - om niet te spreken van hun invloed op kleinere ondernemingen - is het van groot belang dat in een dergelijk fonds industriële overwegingen prevaleren boven korte termijn financiële belangen. Een keuze voor de industrie zou dan impliceren dat banken niet de boventoon in een dergelijk fonds gaan voeren.

Eén van de eerste projecten van een industriefonds zou niet zozeer de directe steun moeten zijn aan in het nauw geraakte bedrijven, maar het organiseren van een permanente discussie over het belang van de Nederlandse industrie. Een dergelijke discussie zou een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan een omslag in het denken van menig ondernemer en beleidsmaker.