Achteraf zag iedereen de moord aankomen

ARAVACA, 16 NOV. Lucrecia Perez was een beetje gek. Niet lastig, maar juist stil en teruggetrokken. Vorige maand kwam ze als "toerist' uit de Dominicaanse Republiek, om in de buurt van Madrid een baantje als hulp in de huishouding te zoeken. Ze vond werk, maar na een paar dagen zette de mevrouw haar weer op straat. Sindsdien sliep ze, samen met zo'n dertig landgenoten, in een verlaten discotheek aan de snelweg die door de Madrileense voorstad Aravaca loopt.

Vrijdagavond zaten de immigranten bij kaarslicht hun soep te eten, toen er een auto stopte. Vier gemaskerde mannen stapten uit en baanden zich een weg door de glasscherven en langs de romeinse pilaren van het voormalige danspaleis. Ze schopten de deuren open, zetten zich in postuur en openden met hun automatische geweren het vuur op de immigranten. Lucrecia Perez was onmiddellijk dood. Van de moordenaars ontbreekt ieder spoor. De enige aanwijzing voor justitie is het type gebruikte munitie: afkomstig uit een staatsbedrijf en uitsluitend in gebruik bij leger en politie.

Achteraf heeft iedereen de moeilijkheden wel aan zien komen. In de zomer begonnen een paar winkeliers te klagen over de grote groep Dominicaanse vrouwen die zich op donderdagmiddag en op zondag verzamelde in het centrum van Aravaca, een rustige voorstad met veel villa's. Ze praatten te hard, ze kleedden zich opzichtig, ze vertrapten het gazon voor het cultureel centrum en het waren er vooral zo véél. Tussen de zeshonderd en duizend Caraïbische dames kunnen samen inderdaad behoorlijk wat lawaai maken, vooral als ze de rest van de week zwijgend moeten schrobben en poetsen. Maar de verantwoordelijke wethouder ging niet in op een verzoek het cultureel centrum open te stellen, zodat ze binnenshuis nieuws konden uitwisselen. In plaats daarvan stuurde hij de gemeentepolitie om verblijfsvergunningen te controleren. Dat zou hen wel afschrikken. Begin deze maand ontstond er een vechtpartij toen de agenten twee vrouwen wilden meenemen die niet over de vereiste papieren beschikten. Daarna werd Aravaca volgeplakt met affiches waarop "Stop de immigratie' en "Spanjaarden éérst!' te lezen stond.

Pag.5: Dweilen levert geen waardering op

“Twintig jaar geleden reisden we zelf naar Frankrijk en Duitsland om werk te zoeken”, zei een geschokte inwoonster van de voorstad gisteren tijdens een herdenkingsplechtigheid op het omstreden pleintje. “Toen waren wij de vieze buitenlanders. Hoe kunnen we dat nu toch zo snel vergeten!”

“Omdat jullie allemaal racisten zijn”, riep een Dominicaanse die naast haar stond met verstikte stem. “We mogen voor jullie kinderen zorgen en de vloer dweilen van 's ochtends zeven tot 's avonds elf, zes dagen per week. Spaanse meisjes kunnen jullie daarvoor niet vinden. Maar in plaats van waardering, krijgen we het verwijt dat we allemaal hoeren zijn of in drugs handelen.”

“Maar dat zeg ik helemaal niet”, zei de Spaanse mevrouw wanhopig. “En ik hèb trouwens helemaal geen dienstmeisje uit de Dominicaanse republiek.”

Het kluitje mensen groeide snel aan tot een samenscholing. Dominicaanse vrouwen vertelden dat hun werkgeefsters niet naar de herdenkingsbijeenkomst hadden willen komen. Er waren ruim tweeduizend betogers, maar de meeste inwoners van Aravaca bleven veilig in hun huizen. Zij die er wèl waren hadden geen dienstmeisjes en betoogden dat ze helemaal geen last hadden van de samenscholingen. Daarna ging het over de arbeidsomstandigheden, over de mannen en kinderen die de Dominicaanse vrouwen hadden moeten achterlaten en over het geld dat ze voor thuis meegaven aan vriendinnen die terugreisden - soms werd dat op het vliegveld door de douane afgepakt.

In een hoek van het parkje werden intussen bloemen neergelegd en zongen andere vrouwen, zacht wiegend, lange gebeden voor het zieleheil van Lucrecia Perez. Er werd geld ingezameld om haar lichaam in haar geboorteland te kunnen begraven, waar ze een man en een dochtertje achterlaat. Vanaf een luidsprekerwagen werd opgeroepen tot strijd tegen racisme en internationale solidariteit. Spreekkoren riepen dat de fascisten schuld waren aan de moord op Lucrecia, maar dat de verantwoordelijkheid bij de socialistische regering lag en bij de nieuwe Vreemdelingenwet.

Volgens de ambassade van de Dominicaanse Republiek zijn er zo'n vijftienduizend geregistreerde immigranten uit dit land in Spanje. Tachtig procent zijn vrouwen die intern als hulp in de huishouding werken, tegen een salaris van ongeveer duizend gulden per maand. Voor hun echtgenoten is geen werk, als zij toch meekomen leiden ze een marginaal bestaan. Ze mogen hun partners bijvoorbeeld maar één of twee keer in de week ontmoeten. Naast de legale immigranten is er een, vermoedelijk veel groter, aantal illegale werkneemsters. De druk op deze vrouwen is de laatste maanden aanzienlijk toegenomen, nu Spanje op verzoek van de Europese partners een veel strenger vreemdelingenbeleid is gaan voeren. Het is veel moeilijker om als toerist het land binnen te komen en per 1 januari wordt voor inwoners van de Dominicaanse Republiek de visumplicht ingevoerd.

De opsporingsautoriteiten gaan er van uit, dat de moord op Lucrecia Perez het werk is van "neo-nazistische groepen' die de sociale onrust in Aravaca op de spits hebben willen drijven. Het (rechtse) gemeentebestuur van Madrid en de socialistische regering zijn gedurende het weekeinde druk bezig geweest elkaar te beschuldigen van de falende opvang voor de Dominicaanse dienstmeisjes. Maar vreemdelingenorganisaties vrezen, dat de affaire niet afgelopen is wanneer er uiteindelijk toch een ruimte voor gezellige bijeenkomsten wordt aangeboden. De daders van de aanslag hebben immers laten zien dat de vrouwen hoe dan ook een probleem vormen - en één van de voordehandliggende oplossingen voor dat probleem is meer contrôle en een harder illegalenbeleid.