Wallage aarzelt met vernieuwingen in onderwijs

De nieuwste fase in de veranderingen in het onderwijs zal nog even op zich laten wachten. Na de scholen (basisvorming, fusies) leek de bedoeling dat nu de schoolbesturen in de steigers zouden gaan. De Kamer is bereid, maar staatssecretaris J. Wallage van onderwijs (PvdA) aarzelt.

DEN HAAG, 14 NOV. De verwachting was dat staatssecretaris Wallage deze week een sluimerende Kamermeerderheid voor bestuursvernieuwing in het onderwijs zou proberen te verzilveren. Maar hij schreef slechts een voorzichtige brief. In de Tweede Kamer vinden CDA, PvdA, VVD en D66 dat de band tussen gemeente en het openbaar onderwijs snel losser gemaakt kan worden waardoor de rol van de schoolbesturen kan worden versterkt en de gemeenten veel algemene beleidstaken van het ministerie kunnen overnemen. Op zich wil Wallage dat ook, maar in plaats van concrete maatregelen voor te stellen, gaat hij nu eerst praten met alle betrokken organisaties. Halverwege volgend jaar wil hij uit dat overleg de eerste conclusies trekken.

In de nieuwe pied à terre van de onderwijsbewindslieden in Den Haag, waarmee zij fysiek afstand proberen te nemen van de bureaucratie van het ministerie in Zoetermeer, zegt Wallage: “Ik ben al lang met de materie bezig. Maar waar ik bij andere onderwerpen het doel direct voor ogen heb, voorstellen doe en net zo lang onderhandel tot er een akkoord is, merk ik dat, nu ik voor die hoge berg van bestuurlijke vernieuwing sta, ik niet goed weet wat er nodig is om dat ding te beklimmen”.

Behoedzaamheid lijkt opeens het devies van Wallage. Een reden kan zijn dat zijn oude idee om het bestuur van het openbaar onderwijs geheel weg te halen bij de gemeente en onder te brengen bij een zelfstandige publiekrechtelijke organisatie, het "onderwijsschap', nauwelijks nog steun vindt. Maar al heeft hij het idee nog niet verlaten, hij zegt inmiddels de vorming van brede overeenstemming over de noodzaak tot bestuurlijke vernieuwing belangrijker te vinden dan de precieze rechtsvorm.

Heeft u wellicht geleerd van uw collega Simons, die zijn plan voor de gezondheidszorg na aanvankelijke steun in de Kamer ten onder zag gaan door onverwacht groot verzet in de maatschappij en in de politiek?

“Van de manier waarop de politiek met dat vraagstuk is omgesprongen kun je in ieder geval leren dat als je belangenbehartigers in de ene kamer zet en de politiek in de Tweede Kamer er tussen die kamers iets heel merkwaardigs zal gebeuren. En daarom pleit ik ervoor dat de politiek op dit gevoelige terrein van de vrijheid van onderwijs, artikel 23 van de grondwet, niet van bovenaf concepten en blauwdrukken gaat neerleggen met een zodanige politieke inzet dat de betrokkenen in het proces denken: hij wil gewoon zus of zo, hij moet zo nodig en de overheid zal wel dit en dat.”

“Het onderwijs zit gevangen in een ijzeren driehoek van vakbonden, besturenorganisaties en de onderwijspolitiek, die samen de afhankelijkheid van de scholen jegens de overheid hebben gecreëerd. Mijn stelling is: je kunt die ijzeren driehoek niet van elastiek maken, als niet de machthebbers in iedere hoek daar zelf voor kiezen. Daarin ligt wellicht een parallel met de situatie in de gezondheidszorg. Als de politiek de driehoek probeert open te breken vanuit de eigen hoek zullen de anderen zich nog vaster zetten. En dat geldt zeker voor de onderwijssector, waar de beeldvorming toch al is dat de overheid alles naar zich toe trekt.”

Maar een grotere rol voor de schoolbesturen en een grotere afstand van de gemeenten vormen toch een logisch vervolg op uw eerdere maatregelen die de scholen meer macht moeten geven over hun eigen materiële- en personeelsbeleid?

“Jawel, maar ik realiseerde mij de afgelopen maanden dat die verdere route niet langer in handen van de politiek ligt. Ik zeg daarom in mijn brief tegen de Kamer: pas nou op, u bent hier bezig met een aantal onderwerpen die zonder fatsoenlijk draagvlak niet goed zullen aflopen. En dat heeft te maken met het feit dat in de dagelijkse praktijk van het onderwijs iedere verandering als een bedreiging wordt gezien. Wat wij in Den Haag zien als een extra investering in de autonomie wordt op scholen heel snel gezien als de volgende truc van de overheid. In zo'n klimaat van argwaan durf ik het punt wel ter discussie stellen, maar ik wil graag de ruimte houden om aan een draagvlak te werken, want dat is nog nauwelijks gebeurd. Tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het bijzonder onderwijs is bijvoorbeeld sinds de onderwijspacificatie van 1917 niet meer gesproken over een nieuwe rol van de gemeenten. En met het bijzonder onderwijs is sinds 1917 niet gesproken over de vraag of de overheid als voorwaarde voor bekostiging kan stellen dat een schoolbestuur minstens tien scholen beheert. Dat moet eerst eens met de betrokkenen worden opgenomen.”

Maar hoe kunt u nu de "ijzeren driehoek' die door de eindeloze onderhandelingen de enorme regelgeving heeft gegenereerd met juist nog meer overleg willen doorbreken?

“Het is de vraag naar de kwadratuur van de cirkel. Hoe kun je van de organisaties die een deel van hun identiteit, hun maatschappelijk belang en zelfs hun bestaan ontlenen aan het feit dat ze alles op landelijk niveau kunnen uitonderhandelen, nu aanspreken op deze route van decentralisatie? Het antwoord daarop is heel eenvoudig: wie het spinneweb heeft gemaakt, moet het zelf ook wegblazen. En, op het risico af dat het arrogant klinkt, mijn sterkste wapen is mijn overtuigingskracht. Echt waar, mijn sterkste wapen als staatssecretaris, in de Kamer en als wethouder is toch altijd geweest dat als puntje bij paaltje komt ik tegenover iemand ga zitten, en argumenteer en discussieer. Je luistert, vooral luisteren, en je probeert te begrijpen wat die ander beweegt. Zo kun je ook zo'n proces laten slagen en daar heb je geen-stoere-jongens-ferme-knapentaal voor nodig.”

Toch weet u wel waar u wilt dat dat proces eindigt, denk ik.

“De missing link in ons onderwijsbestel is dat er door de te kleine bestuurlijke schaal geen krachtig intermediair bestuursniveau is tussen de school en het ministerie. Voor het basisonderwijs zou je kunnen uitkomen op een model dat aan een schoolbestuur ongeveer 2.000 à 2.500 leerlingen worden toevertrouwd, verdeeld over zo'n tien scholen. Dat is een schaal waarop normale fluctuaties in personele en materiële kosten kunnen worden opgevangen binnen het eigen zelfstandige budget. De risico's kunnen worden verspreid over meer eenheden. Voor het voortgezet onderwijs vormt de gemiddelde schoolgrootte zoals die met het huidige proces van scholengemeenschapsvorming ontstaat, met 1.500 à 2.000 leerlingen per school, financieel gezien al voldoende draagvlak. Maar ook daar zou het voor bijvoorbeeld opvang van vroegtijdige schoolverlaters of samenwerking tussen schooltypes en met het bedrijfsleven goed zijn om meer scholen per bestuur te hebben. Daar wil ik over praten. Eigenlijk zou je deze aanpak kunnen noemen: staatssecretaris zoekt bondgenoten.”